Mag een reclamebedrijf zomaar opnameapparatuur plaatsen in een (semi)openbare ruimte? En is het verschil tussen camera en sensor wel zo duidelijk? Eind vorig jaar ontstond ophef over opnameapparatuur in reclamezuilen op stations, nadat een bezorgde reiziger een bericht plaatste op Twitter. Het grootste twistpunt: welke persoonlijke informatie wordt opgeslagen? En mag dat?

Door Ruben Bloemkolk. Dit is een bewerkte versie van het artikel ‘Innovatieve reclameborden in Hoog Catharijne’, dat eerder in het boek Smart & Leefbaar verscheen. Dit boek is een oproep tot het stellen van kaders voor technologie die onze steden ingrijpend verandert. Wilt u het hele boek lezen? Hier kunt u het gratis te bestellen.

Het viel twitteraar NSdefect op dat er verdachte camera'tjes verstopt zaten in reclamezuilen op stations. Maar dit soort zuilen vinden we ook op andere plaatsen. Het bedrijf dat de ze beheert, Exterion Media, plaatst ze ook in winkelcentra. Zo ook in Hoog Catharijne in Utrecht, een semipublieke ruimte doordat het zowel een winkelcentrum als een wandelpassage is.

Iedere reiziger die noodgedwongen door Hoog Catharijne moet om naar Station Utrecht Centraal te komen, kan rustig slapen: geen enkele persoonlijke informatie wordt in een grote database van het reclamebedrijf opgeslagen. Exterion maakt in Hoog Catharijne geen gebruik van digitale schermen of camera’s, laat het bedrijf per mail weten. Maar de mail laat nog het één en ander in het ongewis. Neem bijvoorbeeld de recente presentatie van Klépierre, de eigenaar van Hoog Catharijne, op VivaTech 2018, waar innovaties als The Happiness Index onthuld werden. Deze index wordt door Klépierre omschreven als ‘een spiegel die gezichten herkent’ en zodoende de lach van bezoekers kan analyseren om hun mate van blijdschap in te schatten. Dit opent de mogelijkheid om informatie vast te leggen over wandelaars door Hoog Catharijne. Maar is een dergelijk systeem toegestaan in Nederland?

Openbaar of niet?

De status van Hoog Catharijne is hierbij mogelijk een belangrijk gegeven. In de jaren zeventig, toen Hoog Catharijne zijn deuren opende, was het concept van een wandelpassage naar een station een bijzondere. Uiteindelijk werd afgesproken dat het een openbaar wandelgebied is, waar de regels van de gemeente gelden, maar waar ook Klépierre zijn huisregels mag opleggen aan bezoekers. Door deze vaagheid is in het verleden getouwtrek geweest tussen beide partijen over verscheidende onderwerpen.

De eigendomsvraag is relevant, omdat voor publieke of private ruimtes andere wetgeving geldt. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) stelt in een brief aan de reclamebranche dat het gebruik van cameraopnames door een private onderneming in een openbare ruimte, niet snel als gerechtvaardigd belang aangeduid kan worden onder de nieuwe Algemene Verordening Persoonsgegevens (AVG). In een persoonlijke reactie schaart de AP Hoog Catharijne ook onder het publiek domein: ‘Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages van winkelgalerijen.

Sensor of camera?

Een ander belangrijk aspect is of er sprake is van een camera. Meestal wordt onder een camera een apparaat verstaan waarmee van mensen al - dan niet herkenbare - beelden worden vastgelegd. Volgens Gerrit-Jan Zwenne, hoogleraar privacyrecht in Leiden, is het onduidelijk of de apparatuur in de reclamezuilen moet worden aangemerkt als camera. Een belangrijke nuancering in dit verhaal is dat er, voor zover hij weet, door de reclamezuilen geen beelden worden gemaakt en vastgelegd. En het is daarom twijfelachtig of er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens waarop de AVG van toepassing is. Zwenne geeft dan ook de voorkeur aan de term sensor. Deze sensoren leggen op een verfijnde manier de leeftijd, geslacht en de duur van de geworpen blik op een reclamezuil vast, zonder dat daarmee de identiteit van het desbetreffende individu kan worden achterhaald.

De AVG overtreft de eigendomsvraag in relevantie inzake dit onderzoek, want deze is geldig in zowel private als (semi)publieke ruimtes. ‘De eigendomsvraag is vooral belangrijk op het gebied van gemeentewet en strafrecht en is toegespitst op cameragebruik,’ zegt Zwenne. Hierin staan bepalingen van het gebruik van camera’s in de publieke en private ruimte. In de openbare ruimte is qua cameragebruik minder toegestaan dan in de private ruimte. Zoals de woordvoerder van de AP beaamt in een schriftelijke reactie: ‘Camera’s in openbare ruimte voor reclamedoeleinden mogen sowieso niet, het mag alleen door gemeenten of politie gebruikt worden om de openbare orde te handhaven.’

Gevoelig onderwerp

Volgens de AP worden er echter wel persoonsgegevens verwerkt door bedrijven als Exterion en zouden mensen hiervoor van tevoren toestemming moeten geven, door bijvoorbeeld een app of QR-codes: ‘Het is niet toegestaan om zonder toestemming via de camera persoonsgegevens te verwerken, zoals dat iemand bijvoorbeeld een bril draagt.’ De vraag wat dan een camera en wat een sensor is kan de AP nog niet beantwoorden. Dit lijkt wel belangrijk te zijn voor het debat, zoals de woordvoerder van de AP ook stelt: ‘Het luistert nogal nauw of er sprake is van een camera of een sensor, wat er wordt opgeslagen en of de gegevens herleidbaar zijn tot personen.’

De vragen hoe nauw dat ligt en wat de grenzen zijn, blijven hier onbeantwoord. Deze onduidelijkheid vertroebelt het debat, zo lijkt het. Gezien de na een bericht op Twitter ontstond, mag men voorzichtig zeggen dat het onderwerp gevoelig ligt bij het grote publiek. Vraagstukken over privacy lijken al snel af te drijven richting dystopische visies op de wereld. Elke vorm van het verwerken van informatie van individuen wordt dan bewijs voor een totalitaire samenzwering. Een diepere blik leert ons echter dat het niet zo simpel is.

Definities zijn dus leidend

Als het op het recht aankomt, draait alles om definities. Een en hetzelfde stuk apparatuur kan op twee manieren aangeduid worden en ondanks dat het verschil sensor/camera klein lijkt, is het vooral voor de AVG van groot belang. In zekere mate is dit belangrijker dan de kwestie of het om een publieke of semipublieke ruimte gaat. De grote vraag die nu gesteld zou moeten worden is onder welke noemer apparatuur van Exterion geschaard dient te worden.

Dit geldt ook voor innovaties als The Happiness Index. Hier lijkt nog winst in te behalen. Voordat er op gemeentelijk niveau wetgeving geïmplementeerd kan worden, zou op landelijk niveau een werkbaar onderscheid tussen sensoren en camera’s gemaakt moeten worden. Volgens Zwenne is innovatie in het maken van reclame niet te stuiten, maar: ‘Het zou echter goed zijn als deze innovatie meer bekend wordt, zoals nu al gebeurt met wifi-tracking. Door bordjes worden mensen hiervan op de hoogte gesteld. Als dat niet moet worden gedaan op grond van de privacywet is het op zijn minst een vereiste van zorgvuldig met elkaar omgaan in deze maatschappij.’

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl