Foto: Rob Bogaerts / Anefo

Terwijl de smartphone en andere technologie steeds dieper in ons leven dringen, gaan gemeenten en andere overheden maar mondjesmaat mee in die ontwikkeling. Door de opkomst van internettechnologie worden onze steden en dorpen zogenaamde smart cities. Maar ze worden ontworpen, beheerd en bestuurd alsof het leven nog analoog is. Gemeenten moeten aan de bak om die achterstand in te halen. En dat is niet gemakkelijk.

Door Yvonne Kemmerling en Jan-Willem Wesselink. Dit is een bewerkte versie van een artikel uit Smart & Leefbaar. Dit boek is een oproep tot het stellen van kaders voor technologie die onze steden ingrijpend verandert. Wilt u het hele boek lezen? Hier kunt u het gratis te bestellen.

Ruim 90 procent van de ambtenaren gebruikt dagelijks (mobiel) internet. Om te e-mailen, appen, telebankieren, netflixen. Digitalisering heeft het leven vergemakkelijkt. Tools als Google Maps, Wikipedia en Datumprikker zijn veel handiger dan het stratenboek, de encyclopedie en een rondje bellen met een datumlijstje. De manier waarop professionals werken, winkelen en contact onderhouden met elkaar, is dus ingrijpend veranderd. Ze zijn ‘digiburgers’ geworden. Maar als diezelfde ambtenaar naar zijn werk gaat, gebeurt er iets raars. Daar stapt hij of zij elke ochtend in een wereld die digitalisering en technologisering vaak ziet als een ver-van-mijn-bedshow.

Achterlopen is complex

Uit onderzoek van USP Marketing Consultancy en de Future City Foundation blijkt namelijk dat maar een derde van de Nederlandse gemeenten een smartcitybeleid heeft waarin is vastgelegd hoe de gemeente omgaat met de effecten van technologisering en digitalisering. En dat 42 procent een smartcitypilot deed, die maar in de helft van de gevallen leidde tot vervolgbeleid. Bovendien heeft maar 28 procent van de Nederlandse gemeenten voldoende kennis en experts in huis.

Die lage cijfers kan je, zoals sommige geïnterviewden deden, wijten aan het feit dat ‘gemeenten altijd achteraanlopen bij nieuwe ontwikkelingen’, maar dat lijkt ons wat te gemakkelijk gesteld. Het is veel complexer. Zelfs als een wethouder voorop wil lopen, zijn er collega’s die andere belangen hebben en een raad die het thema moet omarmen. Het ambtelijk apparaat richt zich vooral op wat raad en college willen. En natuurlijk kan het nieuwe ontwikkelingen agenderen, maar zonder politieke steun, heeft dat relatief weinig zin. Dat kan natuurlijk veranderen als er druk ontstaat vanuit de bevolking of het bedrijfsleven, maar dat hoeft niet. Trouwens, iedereen die vindt dat overheden achterlopen, moet eens kijken in het bedrijfsleven. Kodak ging failliet. De muziekindustrie ging pas om toen agressieve buitenstaanders als Apple en Spotify hen daartoe dwongen. Krantenuitgevers worstelen al bijna 20 jaar met internet.

Geen industriële revolutie

Net als de fotografie, de muziekindustrie en de nieuwsmedia, zal internet en technologisering ook het ontwerp, bestuur en beheer van onze steden veranderen. Dat is waarschijnlijk de grootste verandering sinds de uitvinding van elektriciteit. Door internet zijn we altijd met elkaar verbonden en worden we heel flexibel. Daardoor maakt het niet meer uit waar we zijn. En dan maakt het paradoxaal genoeg weer heel veel uit waar we zijn. Want we zijn immers wel ergens. Overheden moeten ervoor zorgen dat dit technisch, praktisch en democratisch functioneert.

Dat is nogal wat. Logisch dus dat dit vaak een nieuwe industriële revolutie wordt genoemd. Ten onrechte. Een revolutie is een plotselinge verandering, de opkomst van internet gaat veel geleidelijker. Net als de industriële revolutie, ook die was een evolutie, een geleidelijke aanpassing van het bestaande. Maar die moet dan wel plaatsvinden. Om niet langer analoog te zijn, moeten gemeenten het debat voeren over hoe ze willen digitaliseren en hoe ze omgaan met nieuwe ethische en politieke vragen die dit met zich meebrengt.

Niet alleen op het gebied van privacy en data, maar ook over indirecte gevolgen. Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat groepen burgers buiten de digitale boot vallen? Gemeenten moeten dat vervolgens vertalen in hun reguliere ruimtelijk, sociaal en economisch beleid. Hoeveel winkelgebieden heb je nog nodig nu iedereen online shopt? Ze moeten beleid voeren op nieuwe onderwerpen zoals 5G en sensoren. En ze moeten hun eigen processen aanpassen. Bijvoorbeeld het beheer van de openbare ruimte of burgerparticipatie. Trouwens, ook het schrijven van gemeentelijke regelgeving. Als we willen dat die wordt gedigitaliseerd, moet die wel logisch en meetbaar geschreven zijn.

Gemeenten, groot en klein, moeten zich bewust zijn dat digitalisering en technologisering geen keuze is. Internet stopt niet bij de gemeentegrens. Elke gemeente krijgt ermee te maken en het is alleen maar de vraag hoe ze ervan profiteren.  

Ook interessant: 'Kun je praten me de slimme stad?'
Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl