In de smart city wordt vaak gekeken naar de techniek, maar die techniek is gekoppeld aan de fysieke ruimte. Geen smart zonder city.

In de smart city wordt vaak gekeken naar de techniek, maar die techniek is gekoppeld aan de fysieke ruimte. Geen smart zonder city. Kijk bijvoorbeeld naar online diensten met een ruimtelijke component als Picnic en Uber. Deze systemen hebben massa en dichtheid nodig. En die massa is ruimtelijk beperkt.

Uber is niet interessant op het platteland waar weinig vraag naar taxiritjes is. Een hoge dichtheid maakt deze systemen flexibeler in het benutten van het netwerk en daardoor worden ze efficiënter. De wagentjes van Picnic kunnen alleen efficiënt rondrijden als er voldoende vraag per kilometer is. De stepjes die in steeds meer grote steden liggen, zijn ge-geofenced. En ook bij Tinder, dat het wel overal doet, is de kans op een match is groter in de grote stad dan op het platteland. Zelfs smart initiatieven als het slim ophalen van afval werken beter bij een hoge dichtheid dan bij een lage. Als er weinig prullenbakken zijn, is het minder gemakkelijk om winst te behalen op het variabel legen van die bakken. Hoe hoger de dichtheid, hoe beter het systeem werkt. De smart city is een drukke stad.

Daarbij maakt de hoge dichtheid het gemakkelijker om on-demand te leven. Een groot deel van onze aankopen doen we tegenwoordig on demand. Dat wil zeggen dat we ze via een smartphone kopen en direct (media-producten) of heel snel (Coolblue, Bol.com, Picnic) in huis hebben. Distributiecentra (cruciaal in de on-demand-economie) staan zo dicht mogelijk bij hun klanten. De nabijheid, die de stad biedt, maakt deze efficiëntie mogelijk. Daardoor kan alles overal. Het maakt ons flexibel. De netwerksamenleving waarin we leven is flexibeler en efficiënter dan de stad die we kenden.

Geen adres meer nodig

De stad is altijd een netwerk geweest. En dat netwerk genereerde altijd al waarde op de onderdelen van het netwerk. En altijd gold dat dichtheid de waarde kon vergroten. Net zoals altijd gold dat dat netwerk verbonden was met het ommeland, waar dichtheiden lager zijn.

Maar er zijn een paar dingen nieuw. Ten eerste maakt het niet meer uit waar je bent binnen de stad. Zolang je verbonden bent met internet, ben je vindbaar en kan je virtuele en fysieke diensten afnemen. Je hebt geen adres meer nodig om te kunnen leven in de stad. Zo kan je gebruiker zijn van meerdere steden. De stad waar je slaapt, de stad waar je werkt, de stad waar je op vakantie gaat…  Het concept ‘thuis’ krijgt daarmee echt de invulling. ‘Home is where the heart is.’

Ten tweede worden de leden van het netwerk ook een bron van data. Die data generen we realtime en ook de analyse kan sneller plaatsvinden dan ooit. Bovendien staan al die steden niet op zich, maar zijn ze ook onderling verbonden. En dus kan de data die ik genereer in Utrecht worden vergeleken met iemand met hetzelfde profiel uit bijvoorbeeld Basel of Barcelona. In de stad kan geld aan mij worden verdiend door traditionele transacties (ik koop iets van jou), maar ook doordat ik data genereer waardoor jij sneller (en uiteindelijk meer) kan verkopen. In feite is hiermee de dystopie compleet. De stad als efficiënt verlopende marktplaats die als doel heeft om geld aan mij te verdienen, alleen al door het feit dat ik er ben.

Stad gaat over beleving

Dat is niet het hele verhaal. Dat mag het niet zijn, dat moet het niet zijn. De stad is niet alleen marktplaats, maar gaat ook over beleving. En juist de efficiëntie en flexibiliteit die ontstaan vanuit het beschreven netwerk geven tijd en ruimte voor die beleving. Omdat Picnic en Bol.com de basisproducten aan de deur brengen, blijft er tijd en ruimte over voor de ‘leuke winkeltjes’. En juist omdat we overal onze laptop open kunnen klappen, kunnen we dat doen op bijzondere plekken.

Deels zal de markt hierin voorzien, maar er ligt hier ook een belangrijke publieke taak. De overheid moet er, als hoeder van het algemeen belang, voor zorgen dat de stad niet alleen draait om efficiëntie en markt, maar ook om het bieden van bijzondere belevingen en vrijheid en rust. Er moeten plekken zijn waar het ook daar aanwezige netwerk niet leidt tot prikkels maar tot rust, verdieping en ontmoeting. Een samenleving gaat immers over elkaar ontmoeten. En over het ontmoeten van nieuwe mensen.

Dit is een ontwerpopgave, maar de vraag is wel hoe die ontwerpopgave er precies uitziet. Hoe ontwerpen we het tegenwicht tegen de overefficiëntie? Is dat een lummelplek, zoals een park of het strand, of is het een laag of een set kaders? Of misschien wel een netwerk of een vorm daarvan? Of worden we op een andere manier gestimuleerd om tot rust te komen?

Antwoord op de nadelen

Toen ruim een eeuw geleden de vorige industriële revolutie haar hoogtepunt bereikte, ontstonden er tal van onaangename effecten. Kinderarbeid, sloppenwijken, 14-urige werkdagen. Als reactie daarop werd een kaders van wetten en regels opgesteld die dit kapitalistische geweld beteugelden en in goede banen leidde. Daarbinnen ontstond ook een fysieke variant daarvan. Met de Woningwet uit 1901 als resultaat.

Wie werkt aan de smart city, moet zich ook afvragen wat de nadelen zijn, welke problemen in het fysieke domein we tegenkomen. En hoe we die oplossen.

Dit artikel is een uitkomst van het project Smart Stedenbouw. Daarin onderzoeken we met tal van partners hoe technologisering de stad verandert. De volgende stap is het zoeken naar antwoorden op de nadelen. Kijk op https://future-city.nl/smartstedenbouw/ voor meer info en doe mee.

Jan-Willem Wesselink
Programmamanager Future City
jan-willem@future-city.nl

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl