Biodiversiteit staat onder druk. Sinds de jaren zeventig zijn populaties gewervelde dieren wereldwijd gemiddeld 60 procent kleiner geworden, bleek vorige week uit uitgebreid onderzoek door de VN. Ook gebiedsontwikkeling pakt niet altijd goed uit voor dieren. Hoe voorkom je dus dat je ontwikkelingen bijdragen aan het verdwijnen van nog meer biodiversiteit? Het nieuwe instrument soortenmanagementplan kan uitkomst bieden, schrijft Stefan Vreugdenhil van de Vogelbescherming.

Door Stefan Vreugdenhil, Programmamanager bij Vogelbescherming Nederland

In steden en dorpen komen veel soorten vogels en andere dieren voor, maar veel daarvan staan onder druk. De huismus blijft hiervan het beste voorbeeld, met een halvering van de populatie in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Lokaal is de huismus zelfs verdwenen. Tegelijkertijd blijft het lokaal een redelijk algemene soort, die vaak wordt aangetroffen als er gebouwen met nestplekken moeten worden gesloopt of gerenoveerd. Op basis van onderzoek op de locatie moeten dan maatregelen worden uitgewerkt, waarmee een ontheffing van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd. Deze werkwijze zal inmiddels bekend zijn.

Goedkoper

Deze bescherming is goed, want we willen graag algemene soorten ook algemeen houden en niet pas in actie komen als het eigenlijk al te laat is. Gelukkig is er inmiddels ook voldoende kennis opgebouwd én zijn er materialen op de markt om deze soorten te helpen. Dit heeft inmiddels geleid tot vele goede praktijkvoorbeelden. Steeds vaker komt de vraag van projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers om het onderzoek over te slaan en direct over te gaan tot het uitvoeren van maatregelen. De gedachte is dat het dan goedkoper uitpakt en er toch weer ruimte voor de soorten is na uitvoering van de werkzaamheden. Dit is op zich een logische gedachte en het proactief treffen van maatregelen – ook voor soorten die misschien nog helemaal niet in het plangebied voorkomen – is zeker een goede stap voorwaarts. Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging hebben hiervoor ook een website gelanceerd met praktische info: www.checklistgroenbouwen.nl.

Maar voor een zorgvuldige omgang met aanwezige beschermde soorten, zul je toch informatie moeten hebben over het voorkomen van de soorten en waar je zinvolle maatregelen kunt treffen. Moet dat dan op het niveau van een specifiek project? Nee, sterker nog: liever niet. Het leefgebied van een soort is groter dan die ene dakpan, waaronder de jongen worden grootgebracht. Er is vrijwel altijd sprake van een lokale populatie, met een netwerk van voedsel- en voorplantingsgebieden waarbinnen de individuen van een soort leven.

Tilburg

Er zijn inmiddels eerste ervaringen opgedaan met zogenaamde soortmanagementplannen. Een bekend voorbeeld is de gemeente Tilburg, maar ook elders lopen pilots. Met deze aanpak breng je op het niveau van de gemeente (of delen daarvan) in beeld hoe het staat met de stedelijke soorten. Zodoende kun je ook een plan maken hoe je die soorten kunt helpen. Is er bijvoorbeeld een specifieke wijk die slechter scoort dan andere, of dan je zou verwachten? Concentreer daar dan de maatregelen. Als initiatiefnemers zich daaraan conformeren en op een doordachte manier maatregelen uitvoeren, kunnen zij het eigen onderzoek meestal overslaan. Net als de procedure om zelf een ontheffing aan te vragen.

Goede voorbeeld geven

Het is aan de gemeenten om de goede voorbeelden te volgen. Ondersteuning van de provincies is hierbij onmisbaar, zowel financieel (meerdere provincies hebben subsidies beschikbaar) als inhoudelijk omdat zij verantwoordelijk zijn voor het natuurbeleid. Dus doorpakken nu

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl