Foto: Arenda Oomen

Minister Kajsa Ollongren:

De ontwerp-NOVI is een veelomvattende visie geworden met veel en hoge ambities, juist in een tijd dat er heel veel verandert: het klimaat, de energievoorziening, de economie. De overheid wil heel veel ballen in de lucht houden: duurzaamheid, circulariteit, leefkwaliteit, concurrentiepositie, biodiversiteit, sociaal inclusief. Dat heeft het risico dat we onvoldoende snel stappen maken waar het echt moet, bijvoorbeeld bij de woningbouw en de energietransitie. Daarover, over de mogelijkheid om écht integraal als één overheid te werken en de praktische uitwerking van de ontwerpvisie spraken we met minister van BZK Kajsa Ollongren.

Deze bijdrage stond in de speciale editie van ROm over de ontwerp-NOVI, september 2019. ROm is gratis voor ambtenaren in het domein van de fysieke leefomgeving. Word nu abonnee!

Vanwaar deze brede strategie?

‘Er komt veel en veel tegelijk op ons af, u noemt een aantal grote opgaven. Omdat al die dingen met elkaar samenhangen is een brede visie en strategie noodzakelijk. Je kunt keuzes niet alleen per sector maken. Neem bijvoorbeeld de energietransitie. Als je meer windmolens in zee wilt, dan heeft dat gevolgen voor de visserij. Als je windmolens op het land plaatst, dan raakt dat de landbouw en de natuur. Als je zoiets als de fileproblematiek zuiver sectoraal aanpakt, dan zou dat ertoe kunnen leiden dat je bijvoorbeeld de hoeveelheid fijnstof verergert. Daarom moet je al die vraagstukken in samenhang bezien. Daarvoor is de NOVI bedoeld en gebruiken we de afwegingsprincipes uit de NOVI.’

Verrassend volgens velen is de compleetheid van de visie, met de economische belangen opmerkelijk genoeg duidelijk behandeld als een van de aspecten die er toe doen bij de inrichting van de fysieke ruimte, en zeker niet leidend. Klopt dat beeld volgens u? Waar is economie dan nog wel leidend?

‘De essentie van goed omgevingsbeleid is het bezien van de samenhang en de onderkenning dat er meerdere belangen zijn. Economische belangen zijn integraal onderdeel van wonen en werken in de stad, van wat er gebeurt in veenweidegebieden en van de energietransitie. Als we met die bril naar de stad, dan wel de omringende gebieden kijken, dan is het logisch dat je economische belangen niet overal op dezelfde manier wilt wegen. Zo ligt het voor de hand dat je in de Rotterdamse haven economische belangen zwaarder laat wegen dan bijvoorbeeld midden op de Veluwe. We verabsoluteren belangen niet, maar – indien nodig – moeten we in specifieke gebieden en gevallen wel durven kiezen.’

Investeringsplannen

Wat ziet u zelf als de meest relevante onderdelen van de ontwerpvisie waar de rijksoverheid daadwerkelijk mede in de lead is en waarom?

‘Omgevingsbeleid is er vooral voor mensen: hoe kunnen de inwoners van Nederland, ieder voor zich én samen, zo aantrekkelijk mogelijk wonen, werken en leven? Dat aantrekkelijk wonen, werken en leven kun je afzonderlijk meten en regelen: veiligheid, gezondheid, natuur, cultuur, bereikbaarheid, betaalbaarheid. Tegelijkertijd kun je al die afzonderlijke kwaliteitsaspecten niet eenvoudigweg optellen of tegen elkaar wegstrepen. Daarom hanteren we in de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. functies combineren, 2. uitgaan van de eigenheid van gebieden, en 3. niet afwentelen op anderen of uitstellen tot later. Het komt er in feite op neer dat de NOVI slaagt als bijvoorbeeld met verstedelijking ook de biodiversiteit in steden toeneemt, als je in 2050 over het platteland fietst je nog steeds kunt genieten van het landschap en als je in 2050 in de stad nog steeds betaalbaar kunt wonen dicht bij belangrijke ov-knooppunten.’

Hoe denkt u de brug te kunnen slaan van beleid naar investeringen in gebiedsontwikkeling. Zou u voelen voor het nadrukkelijk steunen van regionale investeringsplannen (RIA), met betrokkenheid van andere overheids- en private investeerders? 

‘Noodzakelijke investeringen voor gebiedsontwikkeling komen makkelijker van de grond als potentiële investeerders elkaar vinden en aanvullen. Dat gebeurt niet vanzelf. Wat daarvoor nodig en mogelijk is, verschilt per gebied. Het kabinet denkt daarom na over alternatieve manieren van bekostiging van gebiedsontwikkeling. Regionale investeringsplannen, waaraan meerdere partijen bijdragen, zouden een manier kunnen zijn. De uitvoering van de NOVI krijgt voor een belangrijk deel vorm door een gebiedsgerichte aanpak, niet met extra uitvoeringsbudgetten, maar met slim op elkaar afgestemde investeringen.’

Woondeals 

Waarom ziet de NOVI verstedelijking in het landelijk gebied nog steeds per definitie als afwenteling? Met gebiedsontwikkeling, een goed ontwerp en de uitgekiende bekostiging kan dat toch juist meerwaarde aan landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit leveren?

‘We zien dat niet per definitie als afwenteling. Maar het landelijk gebied is natuurlijk niet het eerste waar je aan denkt bij verstedelijking. De woningvraag is daar ook niet het hoogste. We kennen nu al de motivatieplicht via de Ladder voor duurzame verstedelijking. Ook provincies en gemeenten zelf hebben een voorkeur voor het benutten van binnenstedelijke mogelijkheden. In de NOVI zetten we in op binnenstedelijk bouwen als eerste optie en altijd in combinatie met verbetering van de omgevingskwaliteit. Landelijk gebied kan zo zoveel mogelijk opengehouden worden. Soms schieten binnenstedelijke mogelijkheden tekort of kan de identiteit en kwaliteit van die gebieden baat hebben bij ontwikkeling of verbetering. We sluiten verstedelijking buiten de bestaande bebouwde gebieden daarom niet uit.’

In hoeverre is de aanpak bij de woondeals nu exemplarisch voor de NOVI? Wordt dit de nieuwe werkwijze voor de regionale uitwerking?

‘De NOVI is de strategische langetermijnvisie voor de leefomgeving in heel Nederland. De woondeals zijn voor de korte termijn en doen iets aan de woningtekorten in vijf regio’s. Wat wel tot voorbeeld strekt, is dat je met regionale partijen tot prima afspraken kunt komen. De woondeals zijn daarom als werkwijze een goed voorbeeld van hoe het ook kan gaan werken met de NOVI. En de woondeals werken ook inhoudelijk door in de NOVI: de locaties uit de woondeals staan daarin genoemd als ontwikkelingsgebieden voor verstedelijking. Als we straks aan de slag gaan met NOVI-gebieden kunnen de opgedane ervaringen en het inhoudelijke voorwerk van de woondeals ons goed van pas komen.’

Hoe haalt u uw collega’s van Infrastructuur en Milieu en Financiën over om prioritair gelden naar stedelijke infra te schuiven, gezien het belang van verstedelijking rond ov-knooppunten in de ontwerp-NOVI? 

‘In de ontwerp-NOVI heeft het kabinet gesteld dat binnen groeiende stedelijke gebieden structureel meer geïnvesteerd zal moeten worden in stedelijke bereikbaarheid. Tegelijkertijd zullen we ook de kwaliteit van verbindingen tussen stedelijke regio’s moeten verbeteren en waar nodig uitbreiden. De NOVI gaat niet vergezeld van extra budgetten. En u begrijpt dat toegezegde investeringen niet zomaar verschoven kunnen worden omdat er prioriteiten bijkomen. Maar we denken in Den Haag wel degelijk na over slimme manieren om gebiedsontwikkeling te financieren.’

Fundament

De NOVI houdt vast aan het concept van het Groene Hart. Waarom? Iedereen ziet toch dat dit een amorf en gedateerd concept is, waarvan grote delen totaal geen ‘groene’ kwaliteit meer hebben. Waarom worden energie en investeringen niet geconcentreerd op deelgebieden waar de groene en blauwe kwaliteit kunnen worden verbeterd?

‘In wat andere bewoordingen zegt de NOVI eigenlijk wat u vraagt. Het is mogelijk het gebied in te delen in verschillende zones. Het streven is afspraken te maken over zonering, waarbij ruimte is voor verschillende soorten ontwikkelingen en daarmee meer diversiteit, ook biodiversiteit, en flexibiliteit te brengen in het beleid voor en de inrichting van het Groene Hart. Duurzame kringlooplandbouw zorgt in agrarische gebieden voor meer biodiversiteit. Door de manier van bouwen en het grondgebruik aan te passen aan het waterpeil, ontstaan kansen voor nieuwe functionaliteit en kwaliteit: natte teelten zoals cranberryteelt kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan het duurzaam behoud van het historische veenweidelandschap.’

Wat voegt de NOVI eigenlijk toe aan het beleid voor het landelijk gebied en de transformatie van de landbouw dat LNV, de provincies en de gemeenten al voor het landelijk gebied uitstippelen?

‘Veel! Want het landelijk gebied beslaat het grootste deel van de oppervlakte van ons land, is zeer divers ingericht en kent een divers gebruik. Dit belangrijke gebied kent tal van andere uitdagingen en opgaven dan de landbouw alleen. Zojuist noemde ik al waardevol landschap en verstedelijkingsvragen, maar landelijke gebieden hebben ook te maken met de energietransitie. Daarover spreekt de NOVI zich uit: de voorkeur gaat bijvoorbeeld uit naar concentratie van wind op land, daar waar dat landschappelijk past. Geen confetti van allemaal losse molens. En zonnepanelen worden bij voorkeur aangebracht op daken en gevels.’

Waar bent u het meest trots op als u kijkt naar de totstandkoming van deze ontwerp-NOVI en waar wilt u dat we hiermee over een jaar staan?

‘Uiteindelijk ben ik het meest trots op het proces dat we de afgelopen jaren hebben doorlopen. Samen met provincies, gemeenten, ministeries, waterschappen, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en betrokken inwoners van ons land hebben we uitgebreid gediscussieerd, nagedacht, geschreven en getoetst. Dankzij de inspanning van iedereen is het ontwerp van de NOVI er gekomen. Hiermee hebben we een stevig fundament gelegd dat naar ik hoop – en na de vaststelling – een breed, diep en stabiel maatschappelijk en politiek draagvlak biedt. Zo kunnen we de visie die we gezamenlijk gemaakt hebben, ook gezamenlijk uitvoeren. Zo houden we een Nederland waarin we ook in 2050 graag willen wonen, werken en leven. Daarvoor is nog heel veel werk te doen en zijn nog heel veel besluiten te nemen. Ik hoop dat we over een jaar tegen elkaar kunnen zeggen dat we daarmee een goed begin hebben gemaakt.’

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl