Rotterdam wil verduurzamen. Dat betekent dat er ook steeds hogere milieueisen worden gesteld aan leveranciers. Sinds een paar jaar zet de gemeente hierbij de milieukostenindicator in, een graadmeter voor de impact die een product op het milieu heeft. Inschrijvers op aanbestedingen krijgen de vrijheid zich naar eigen inzicht te onderscheiden op duurzaamheid. Gemeente Rotterdam en twee ondernemers vertellen over hun ervaring.

Ton van Leeuwen. Foto's: LBN Betonproducten en Vandersanden

Van innovatieve productieprocessen tot zonnepanelen op het dak en van recycling van verpakkingsmateriaal tot elektrisch transport. De leveranciers van de gemeente Rotterdam zijn ieder op hun eigen manier aan het verduurzamen. “Maar ze vormen daarmee vaak maar een schakeltje in een hele keten”, zegt Léon Dijk, programmamanager en adviseur duurzaam inkopen bij de gemeente. “Voor hun duurzaamheidsprofiel zijn leveranciers sterk afhankelijk van hun eigen leveranciers. Om de duurzaamheid van producten goed te kunnen beoordelen en kwantificeren is een levenscyclusanalyse nodig. De uitkomst daarvan kan worden uitgedrukt in een gecombineerde score van alle relevante milieueffecten: de milieukostenindicator (MKI).”

'Ons voordeel is dat wij de inkoop van materialen als gemeente zelf doen, en niet bij aannemers neerleggen'

De Europese Commissie probeert voor de levenscyclusanalyse van producten al enige jaren Europese spelregels op te stellen. De Product Environmental Footprint (PEF) moet de standaardmethode worden voor levenscyclusanalyses van producten. “Binnen de bouwsector zijn die ‘PEF category rules’ voor veel producten al vastgesteld”, weet Dijk. “Vanaf 2015 zijn we daarom de milieukostenindicator al gaan inzetten in aanbestedingen voor diverse materialen. Ons voordeel is dat wij de inkoop van materialen als gemeente zelf doen, en niet bij aannemers neerleggen. Daardoor kunnen we leveranciers naast prijs en kwaliteit ook beoordelen op duurzaamheid: bij een hoge ‘MKI-score’ krijgen ze een fictieve toeslag op hun aanbiedingsprijs.”

Duurzaam energie opwekken

Een van de aanbestedingen waar de gemeente de milieukostenindicator recentelijk voor het eerst inzette, is die voor rioolbuizen. De opdracht werd onder meer gegund aan LBN Betonproducten, mede dankzij een goede MKI-score. “Bij rioolbuizen komt de grootste milieu-impact van de productie van cement; daar komt veel CO2 bij vrij”, weet directeur Hans Kamminga. “Door nieuwe mengsels uit te proberen met minder of ander cement, hebben we onze milieu-impact weten te verlagen. Verder is voor het productieproces van de betonnen buizen trillingsenergie nodig. Die proberen we zo veel mogelijk duurzaam op te wekken met onze eigen zonnepanelen. De groene stroom die dit oplevert gebruiken we bijvoorbeeld ook voor de verlichting in onze fabrieken.”

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Ook leveranciers van straatbakstenen vroeg de gemeente vorig jaar voor het eerst om de MKI-score. Deze aanbesteding werd gewonnen door het Belgische familiebedrijf Vandersanden. “In ons productieproces heeft het bakproces relatief de grootste milieu-impact”, vertelt directeur Straatbaksteen Michel Degen. “Daarom hebben we besloten om in een nieuwe oven te investeren. Deze is door toepassing van de nieuwste technieken en isolatiematerialen heel zuinig. Hoewel we ons energieverbruik daar flink mee verlagen, is deze investering niet snel terug te verdienen. We hebben daarbij het voordeel een familiebedrijf te zijn: we hoeven niet alleen naar de korte termijn te kijken. Als we er ook meer kans mee maken in een aanbesteding, is dat natuurlijk heel positief.”

Vervoer naar de bouwplaats

Voor de bakstenen van Vandersanden is klei de belangrijkste grondstof, voor de rioolbuizen van LBN Betonproducten zijn dat zand en grind. Beide bedrijven zitten met hun fabrieken vlakbij winlocaties van deze grondstoffen. Dat scheelt veel CO2-uitstoot. Als het gaat om verduurzaming van transport, liggen er vooral kansen in het vervoer van de fabriek naar de bouwplaats. Degen: “De afstand is te lang om helemaal met elektrische vrachtwagens af te leggen, daarom geloven wij vooral in het gebruik van hubs aan de rand van de stad. Daarvandaan kunnen de stenen met elektrische voertuigen naar de bouwplaatsen worden gereden. Om de stenen naar de hubs te brengen, onderzoeken we de mogelijkheden van transport per water, deels met hybride schepen. Schepen hebben een relatief grote capaciteit en ontlasten bovendien het wegverkeer.”

Met een beoordelingsrichtlijn kunnen leveranciers binnenkort ook zelf een MKI-waarde bepalen

Als het gaat om verduurzaming van transport, liggen er ook nog kansen in een betere organisatie, weet Kamminga. “Nu komt het nog weleens voor dat er een half gevulde vrachtwagen naar de bouwplaats rijdt, en een lege weer terug. Dat willen we zoveel mogelijk voorkomen, en daarvoor is meer afstemming nodig tussen alle betrokken partijen: leverancier, transporteur, gemeente en aannemer. Idealiter wordt er in de planning van rioolwerkzaamheden al gestreefd naar goed gevulde vrachtwagens. Je kunt bijvoorbeeld de werkzaamheden zo plannen dat je met de benodigde materialen precies een volle rit kunt plannen.”

(Tekst loopt verder onder de afbeelding)

Levenscyclusanalyses worden uitgevoerd door gecertificeerde adviesbureaus. Met een zogenaamde BRL (beoordelingsrichtlijn) kunnen leveranciers binnenkort ook zelf een MKI-waarde gaan bepalen. Dit is echter alleen mogelijk als de hele keten achter het betreffende product meewerkt. Vroeger hoefde een zand- en grindhoeve alleen een bepaalde gradatie te leveren; nu vragen inkopers om milieukosten. Die afhankelijkheidsrelatie tussen leveranciers onderling is voor ambitieuze bedrijven als LBN en Vandersanden een uitdaging. Maar dat de gemeente Rotterdam de milieukostenindicator heeft ingezet in een aanbesteding, vinden beide leveranciers hoe dan ook een goede ontwikkeling. “Duurzaamheid is een van de pijlers van ons bedrijf”, legt Degen uit. “Daar willen we ons dan ook graag mee onderscheiden bij afnemers, maar dat lukt alleen als zij de gehele levenscyclus beoordelen. Rotterdam geeft hierbij het goede voorbeeld.”

De MKI-score is echter meer dan een tool om een aanbesteding mee te kunnen winnen, benadrukt Degen. “Door de implementatie ervan hebben we een veel beter dashboard tot onze beschikking. Soms voegen we bijvoorbeeld bepaalde hulpstoffen toe aan de stenen, voor een bepaalde kleur of voor meer stabiliteit in het droog- en bakproces. Door de MKI-score kwamen we erachter dat deze hulpstoffen een verschillende milieu-impact kunnen hebben.” Bij LBN werken ze onder meer aan een innovatief warmtewisselsysteem. “Dit systeem onttrekt warmte uit afvalwater”, legt Kamminga uit. “Met een warmtepomp kan die warmte worden opgewaardeerd en bijvoorbeeld benut worden voor de verwarming van woningen. Ook zo’n innovatie telt mee voor onze totale milieu-impact.”

Objectief en transparant

Dit soort oplossingen laten volgens Dijk precies de kracht zien van de milieukostenindicator. “Als gemeente moeten wij niet precies willen voorschrijven hoe onze leveranciers duurzamer moeten gaan werken. Daar hebben ze zelf de beste ideeën over. We zouden ook een bepaald percentage afvalrecycling kunnen eisen, of de aanleg van een X aantal zonnepanelen. Maar wij vinden dat ze die keuzes zelf moeten maken. Via de MKI-score kunnen we die keuzes vervolgens objectief en transparant beoordelen. Ons belangrijkste streven is dat we de industrie daarmee kunnen belonen voor maatregelen die leiden tot de meeste milieuwinst. Overigens voeren we binnen de langlopende aanbestedingen elk jaar een audit uit om de voor de MKI-score gebruikte data te toetsen. Dat maakt onderdeel uit van een eerlijke beoordeling.”

Hoewel de MKI-score zorgt voor eenduidigheid, levert het gebruikte model soms nog wel discussie op. “Oude of kapotte bakstenen kunnen soms worden hergebruikt”, geeft Degen als voorbeeld. “Aan de ene kant draagt het gebruik van reststromen bij aan circulariteit. Aan de andere kant heeft klei een lage MKI-waarde; het is vrijwel onbeperkt beschikbaar. En het gebruik van reststromen brengt wel weer extra energieverbruik en transportbewegingen met zich mee, wat juist zorgt voor een hogere MKI-waarde. Milieu-impact en circulariteit kunnen soms dus tegengestelde belangen zijn.”

Uniformer uitvragen

Mede om dit soort discussiepunten is het volgens Dijk belangrijk om het gesprek te blijven voeren over welke maatregelen het grootste rendement opleveren voor de maatschappij. “Dat gesprek voeren we binnen de gemeente, met leveranciers, maar ook met andere gemeenten. Dat steeds meer gemeenten om een MKI-score vragen is positief, want daardoor gaan de kosten omlaag en wordt het steeds makkelijker om een levenscyclusanalyse als eis te stellen. Tegelijkertijd kunnen we als gemeenten wel nog zorgen voor meer uniforme uitvragen, want dat kan de kosten verder drukken.”

Kamminga geeft een voorbeeld. “Nu komt het nog voor dat gemeenten voor iedere buisdiameter een aparte LCA aanvragen. Idealiter vragen alle gemeenten de MKI-score op voor een en dezelfde buisdiameter. Het geld dat we daarmee zouden besparen kunnen we weer gebruiken voor verdere verduurzaming.”

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl