Foto: Benjamin van Waart

Het Kennisinstituut voor Mobilitietsbeleid (KiM) heeft voor vlieg- trein- auto- en busreizen de infrastructuurkosten voor de overheid en de externe kosten vergeleken. Deze kosten zijn voor zes bestemmingen (Brussel, Parijs, Londen, Düsseldorf, Frankfurt en Berlijn) in kaart gebracht. Wat blijkt? Voor gebruik van de huidige infrastructuur is het totaal van de infrastructuurkosten voor de overheid en de externe kosten het hoogst voor de vliegreis en het laagst voor de busreis. Vliegen is vooral door milieueffecten duur voor het Rijk.

Dat concludeert het KiM in de publicatie ‘Op reis met vliegtuig, trein, auto of bus. Een vergelijking van de infrastructuurkosten voor de overheid en de externe kosten.’. Eerder onderzocht het instituut wat de kosten voor reizigers bedragen. Nu is dit aangevuld met infrastructuurkosten voor de overheid en externe kosten.  

Vliegreis duurst bij bestaande infrastructuur

Bij het onderzoek hanteert het KiM twee perspectieven. Het eerste perspectief richt zich uitsluitend op alle kosten die samenhangen met het gebruik van de infrastructuur. Dit betreft deels feitelijke kosten van het onderhoud dat samenhangt met het gebruik van de infrastructuur. Ook betreft het schadelijke effecten, zoals de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de reis, die in kosten worden uitgedrukt. Dit perspectief is volgens het KiM relevant voor beleidsvorming waarbij geen aanleg van nieuwe infrastructuur is voorzien, maar waarbij bijvoorbeeld wordt ingezet op intensiever gebruik van de huidige infrastructuur. Binnen dit perspectief is het totaal van infrastructuurkosten voor de overheid en externe kosten per reiziger voor de meeste bestemmingen het hoogst voor de vliegreis en het laagst voor de busreis.


Bron: KiM

Treinreis duurst bij nieuwe infrastructuur

In het tweede perspectief brengt het KiM, naast de kosten voor het gebruik, ook de kosten voor de aanleg van infrastructuur in beeld. In aanvulling op de kosten in het eerste perspectief betreft dit ook de feitelijke kosten voor, bijvoorbeeld, de aanleg van een bestaande spoorbaan. Ook betreft het schadelijke effecten, zoals het ruimtebeslag van een bestaande weg, die in kosten worden uitgedrukt. Dit perspectief is volgens het KiM relevant voor beleidsvorming waarbij nieuwe aanleg wordt overwogen. De kosten voor toekomstige infrastructuur zijn echter sterk afhankelijk van de specifieke investering. Ze zijn dus niet gelijk aan de in dit onderzoek gepresenteerde kosten, die gelden voor reizen over bestaande verbindingen. Binnen dit perspectief is het totaal van infrastructuurkosten voor de overheid en externe kosten per reiziger voor alle bestemmingen het hoogst voor de treinreis en het laagst voor de busreis.

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl