‘Of je nu wil trainen bij een vereniging, een rondje wil wandelen, met vrienden een stuk wil fietsen of sociale contacten wil opbouwen. Er moet een fysieke plek zijn, zoals een openbare ruimte of een specifieke voorziening, waar je op een prettige en veilige manier anderen kan ontmoeten en kan bewegen.’  

Dat schrijven de adviesraden in een gezamenlijke brief als reactie op de ambities uit het hoofdlijnenakkoord. 

Ruimte die duidelijk bedoeld zijn of uitnodigen om te bewegen worden langzaam verdreven door vele claims op de (openbare) ruimte en de toenemende stedelijke verdichting, zeggen de raden.  

Ze vinden het des te belangrijker dat voldoende bewegen een vast onderdeel wordt van ‘de alledaagse praktijk in de woon- en leefomgeving, op school en in de kinderopvang, in de werk- en de zorgomgeving’. 

‘In de fysieke ruimte gaat het - naast sportbeoefening - ook om veilig kunnen bewegen van en naar bijvoorbeeld werk, school of vrije tijd’, staat er in de brief. De raden geven twee adviezen, een ruimtelijk en een gericht op het sociale domein.  

Genoeg sportruimte 

Het eerste advies is om genoeg fysieke ruimte te reserveren voor beweging en deze uitnodigend in te richten. De drie partijen doen vier aanbevelingen om dit te bereiken: 

  1. Zorg in zowel stedelijk als landelijk gebied voor voldoende natuur en water waar mensen ononderbroken kunnen sporten of bewegen (de zogenoemde groen-blauwe dooradering). Mik als vuistregel op minimaal tien procent van de ruimte en zorg bij de inrichting daarvan voor wandel- en fietspaden en andere (sport)voorzieningen. 
  2. Zorg dat gezondheid en sociale kwaliteit beter dan nu worden meegenomen in beleidsafwegingen en ontwerpkeuzes voor de leefomgeving. Juist nu er hard gewerkt moet worden aan verduurzaming, nieuwe vormen van mobiliteit en er meer woningen moeten worden gebouwd, is ruimte maken voor ontmoeting en veilig bewegen essentieel. Denk aan veilige routes naar school voor kinderen en ouders, of de inrichting van een leefomgeving waarin ouderen of mensen met een beperking zich veilig kunnen verplaatsen.  
  3. Pas bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en in bestaand stedelijk gebied, de 3-30-300 regel toe: iedereen in Nederland zou drie bomen moeten kunnen zien vanuit zijn of haar woning, 30 procent boombedekking in de directe omgeving moeten hebben, en maximaal 300 meter moet overbruggen tot het dichtstbijzijnde park.  
  4. Maak ook op bedrijventerreinen een prioriteit van voldoende groen, door daar groenblauwe dooradering en de 3-30-300 regel toe te passen. Veel Nederlanders zijn dagelijks werkzaam op een bedrijventerrein. Groene en beweegvriendelijke bedrijventerreinen dragen bij aan gezonde en tevreden werknemers, sociale binding tussen collega’s en minder psychische klachten en ziekteverzuim. Door deze open ruime op te stellen, creëert dit ook extra recreatieruimte voor omwonenden. 

 Volgens de adviesraden zorgt een gezonde inrichting van de openbare ruimte ook voor het bestrijden van de kansenongelijkheid om te sporten. Daarboven op moet er aandacht blijven voor het toegankelijk maken van sportfaciliteiten in de regio en is sociaal beleid nodig voor mensen in sociaal-kwetsbaardere posities. Hier gaat het tweede advies breder op in. 

De uitvoering van maatregelen voor een groene en beweegvriendelijke leefomgeving ligt in de praktijk grotendeels bij de provincies en gemeenten. ‘Er is echter behoefte aan sturing door het Rijk en beleidsmatige en juridische borging op dit gebied', zeggen de drie raden. 

Met de recente Handreiking Groen in en om de Stad (GIOS) biedt het Rijk een eerste hulpmiddel aan provincies en gemeenten. Maar meer is nodig. De Rli, RVS en Nlsportraad bieden het Rijk aan verder mee te denken over de uitvoering van haar adviezen.