Foto: Begraafplaats Crooswijk, door David Rozing
'Schaamgroen' kreeg jarenlang nauwelijks aandacht

Rotterdams ongemakkelijke relatie met groen zien we het sterkst bij haar begraafplaatsen

Terwijl vrijwel overal mensen trots zijn op groen in hun woonomgeving, lijkt Rotterdam lange tijd moeite gehad te hebben met planten en bomen. Vooral op begraafplaatsen. Waar komt dat door?

Door Cees Bronsveld. Hij is socioloog en werkte als onderzoeker bij de gemeente Rotterdam. Dit is een aangepaste versie van het stuk 'Rotterdamse begraafplaatsen als stedelijk groen' uit vakblad Groen. Klik hier voor meer informatie.

Journalist Guido van Eijck concludeerde ruim een jaar terug nog in het Rotterdamse e-magazine Vers Beton dat de combinatie ‘groen en Rotterdam’ niet bepaald een gelukkige is. Hij baseerde zich onder meer op de Rotterdamse stadsecoloog Niels de Zwarte. Van Eijck en De Zwarte waren niet de eersten die zich somber uitlieten over Rotterdams groen. Al na de Tweede Wereldoorlog ging het over de ‘schamele groenvoorzieningen’ in Rotterdam. En dat kwam niet door de oorlog. De geschiedenis van Rotterdams openbare groen gaat terug naar 1769, toen langs de Maasboulevard de Oude Plantage tot stand kwam. Een succes wed het nimmer. Toen in 2019 het 250 jarig bestaan werd gevierd, concludeerde het NRC Handelsblad dat de plantage vermoedelijk ook het meest verwaarloosde park van de stad is.

Het Park

Pas in 1857 zou Rotterdam de eerste serieuze publieke wandelplaats krijgen: Het Park, bij de Euromast. De gemeente kocht de grond aanvankelijk om er een veemarkt en een slachthuis te vestigen. Het terrein viel toen bestuurlijk nog onder de zelfstandige gemeente Delfshaven en die ging niet akkoord met de Rotterdamse plannen. De gemeente besloot desalniettemin om de firma Zocher de opdracht voor een parkontwerp te geven. Zochers plan werd in 1852 door de Rotterdamse gemeenteraad goedgekeurd. Toch duurde het pas tot de jaren negentig van de negentiende eeuw tot de bestemming van Het Park als park definitief werd, nadat er discussies hadden plaatsgevonden over een andere invulling van het gebied.

Rotterdam bleef evenwel een qua groen misdeelde stad. ‘Groen is Rotterdams armoede’ schreef Bax in 1958 in zijn 'Rotterdam. Groen in beeld'. Hij gaf cijfers van de Rijksplanologische Dienst waarmee het groen in een aantal steden vergeleken kon worden. Het criterium was daarbij het aantal vierkante meters groen recreatiegebied dat per inwoner beschikbaar was voor dagrecreatie binnen een cirkel van 10 kilometer vanuit het stadscentrum. De vergelijking pakte voor Rotterdam en de Rotterdammers dramatisch uit: Utrecht scoorde 54 vierkante meter, Rotterdam slechts 3. Amsterdam en Den Haag scoorden respectievelijk 11 en 16.

Groene verf

In 1970 verscheen Groen in Rotterdam, een uitgave in een reeks kleine thematische boekjes over Rotterdam waarin auteur De Nies al in de inleiding stelde dat Rotterdam zeker groener zou moeten en kunnen maar dat de situatie – gelukkig? – in Den Haag en Amsterdam ook verre van ideaal was. Hij memoreert het verdwijnen van de Hortus Botanicus, gesticht in 1826, daar waar nu de Witte de Withstraat loopt; 40 jaar later gingen de bijzondere planten naar Utrecht en Leiden en kreeg de oude diergaarde de rest. Bijzonder is wel dat een apart hoofdstukje gewijd werd aan deze groene diergaarde. 

Vergroenen in Rotterdam? Nog in 2012 kon de Rotterdamse eetbaar-groen-onderzoeker Jan-Willem van der Schans een Rotterdamse ambtenaar citeren die desgevraagd liet weten dat ‘het enige groen dat ik me kan bedenken voor een stad als Rotterdam een pot groene verf is om het beton groen te kleuren’. 

Opvallend in de genoemde uitgaven is dat dikwijls begraafplaatsen er ten enenmale in ontbreken. Zouden Rotterdammers zich schamen voor de geringe kwaliteit en kwantiteit van het stedelijk groen en dat men denkt dat je maar beter niet met het begraafplaatsgroen moet komen aanzetten? Gaat men er in andere gemeenten anders mee om? Ik bekeek een aantal publicaties. Voor de goede orde: dit is zeker geen systematisch onderzoek, maar toch: een eerste verkenning leverde verrassende dingen op.

Bijzondere planten

In Dordrecht verscheen in 1991 een klein boekje, Natuurlijk Dordt, samengesteld door de journalist Jacques van der Neut, waarin hij zijn eerdere bijdragen (1987-1991) aan dagblad De Dordtenaar bundelde. In een van die artikelen gaat het over Duitse voorbeelden om begraafplaatsen ecologisch te beheren. De auteur onderstreepte het ecologisch belang van groen op begraafplaatsen. Hij verwijst naar Duits onderzoek, naar dat van Annerose Graf om precies te zijn en maakt zich vrolijk over haar naam, kennelijk niet beseffend dat het Duitse Graf geen graf maar graaf betekent. Interessanter is Van der Neuts aandacht voor bijzondere planten. Zo meldde hij dat 128 van de 690 op begraafplaatsen voorkomende planten als bedreigd worden beschouwd.

In 2000 verscheen de studie Over bossen, parken en plantsoenen over ‘groen’ in Den Haag. Met, jawel, volop aandacht voor het ‘bijzondere groen’ dat op begraafplaatsen te vinden is. Twee jaar later verscheen De groene stad, een boek gewijd aan ‘een eeuw openbaar groen in Haarlem’. Daarin aandacht voor begraafplaats Akendam, kritische aandacht zelfs: de auteurs spreken van ‘een veelkleurige monotonie’ die Akendam toen zou kenmerken.

Begraafpark

In de Rotterdamse groenboeken van na 1970 wordt de toon soms wat positiever maar … begraafplaatsen worden nog altijd niet genoemd. Het eerdergenoemde boekje uit de Facet-reeks noemde zoals we zagen wel de diergaarde, maar dus niet de begraafplaatsen. De uitgave Rotterdam: Groen in beeld, vermoedelijk verschenen in 1972, noemt het begraafplaatsgroen wel, zij het zeer terloops. In Groen in Rotterdam, verschenen in 1985, ontbreken begraafplaatsen weer helemaal.

In 2000 verscheen Mariëtte Kamphuis' prachtige studie De stad en de dood over de Algemene Begraafplaats Crooswijk, met op een inlegvel een wandeling door wat, terecht, al veel langer wel een begraafpark werd. Dat Park Crooswijk beslaat 22 hectare, Het Park is met zijn 21,3 hectare zelfs kleiner! 

Overigens laten onderstaande de cijfers zien dat het Rotterdamse groen zeker niet substantieel meer of minder aanwezig is dan in de andere hier genoemde gemeenten. De vergelijkbaarheid van groencijfers is overigens sowieso problematisch. Zo tikt het Rotterdamse Kralingse Bos met zijn circa 200 hectare natuurlijk lekker aan. Het Haagse Zuiderpark bijvoorbeeld is de helft kleiner.    

In 2004 publiceerde de Amsterdamse stadsecoloog Ton Denters zijn Stadsplanten. Veldgids voor de stad. In deze uitgave zijn een aantal wandelingen opgenomen, waaronder een in Nijmegen waarin de wandelaar gewezen wordt op de bijzondere flora die op begraafplaatsen te vinden is. In de dit jaar verschenen nieuwe editie van deze gids, Stadsflora van de lage landen worden de op een begraafplaats aangetroffen struikwinde gemeld.

Het voorkomen van kraailook en groot streepzaad op de joodse begraafplaats aan de Oostzeedijk haalde deze gids (nog) niet. Jammer, want het voorkomen van deze beide soorten zou kunnen teruggaan op de oorspronkelijke begroeiing van de oude Hoge Zeedijk, ooit dus een echte zeedijk.

Stadsnatuur

De laatste jaren lijkt men intussen ook in Rotterdam ‘voorbij het schaamgroen’ te geraken. Dat lijkt mij vooral een gevolg van de opkomst van de notie Stadsnatuur, in Rotterdam vooral uitgedragen door het Bureau Stadsnatuur, onderdeel van het Natuurhistorisch Museum.

Stadsnatuur is een nieuw concept, gemunt door ecologen en biologen die anders tegen het stadse groen aan gingen kijken. Men had het over biodiversiteit en stond stil bij allerlei beesten en beestjes, bij het al dan niet vóórkomen van bepaalde plantensoorten, men sprak over soortenrijkdom, bezigde termen habitat en biotoop. Het ging dus wat minder over de vierkante meters ... al bleven die natuurlijk belangrijk

In 2017 verscheen het boekje Stadsnatuur maken, samengesteld door de architecten die werkzaam zijn voor De Natuurlijke Stad en de eerdergenoemde Niels de Zwarte. Hierin weer wel aandacht voor het begraafplaatsgroen, zij het wat zuinigjes: een halve bladzijde in een boek van ruim driehonderd pagina's. Maar toch: er wordt gewezen op het ecologisch belang van begraafplaatsen, deze keer vooral vanwege de daar dikwijls aanwezig oude bomen, aantrekkelijk voor bepaalde diersoorten: ‘Zonder dat het ooit de bedoeling is geweest, zijn dergelijke rustplaatsen belangrijke onderdelen geworden van het ecosysteem van de stad.' Zeker, het was de bedoeling niet, maar het mag intussen gelukkig wel genoemd worden!

‘Oasen van rust’

De conclusie van deze kleine rondgang moet zijn dat langzaam maar zeker begraafplaatsen als stedelijk groen nadrukkelijker in beeld komen, ook in Rotterdam. Een voorlopig hoogtepunt is wat dat betreft het in 2016 verschenen gidsje Rotterdam Groene Stad, met daarin de honderd groenste plekken. Daar horen volgens de samenstellers – onder wie Niels de Zwarte – maar liefst vijf begraafplaatsen bij.

Niet één begraafplaats haalde daarentegen het in 2019 verschenen boekje 111 plekken in Rotterdam die je gezien moet hebben. De vraag is of dat erg is. Ik denk van niet. Begraafplaatsen zijn ‘oasen van rust’. Dat moet zo blijven. Dus nee, geen massatoerisme en dus alstublieft geen citymarketing met deze sector.

 

De app van Stadszaken is gratis te downloaden via de Google Play Store en de App Store van Apple. Met de app heb je nieuws, opiniestukken en achtergrondverhalen over de fysieke inrichting van Nederland in een vloek en een zucht op het scherm van je smartphone of tablet. Een must-have voor de RO-professional en de liefhebbers van stedelijke en ruimtelijke trends.
Dit bericht delen via:

Gerelateerde artikelen