Foto: NS

Rli: ‘Meer inzet nodig voor internationale trein’

Internationaal treinverkeer moet meer worden gestimuleerd. De coronacrisis maakt dat het nu hét moment is om te investeren in de trein als duurzaam alternatief voor de auto en het vliegtuig. Dat stelt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur in het advies ‘Verzet de wissel: naar beter internationaal reizigersverkeer per trein’, dat vandaag werd aangeboden aan staatssecretaris Van Veldhoven van IenW. Het rapport komt als geroepen voor de stadsregio Parkstad Limburg, die al jaren pleit voor een betere spoorverbinding tussen de Randstad, Heerlen en het Duitse Aken.

Er is de afgelopen eeuw veel geïnvesteerd in de aanleg van Europese railinfrastructuur, maar het reizigersverkeer per spoor is minder sterk gegroeid dan het auto- en vliegverkeer. Dit valt volgens de raad te betreuren, want reizen per trein is vergeleken met andere vervoerswijzen veiliger en beter voor milieu en klimaat.

Aanvullend op milieu- en veiligheidsbeweegredenen, is het voor de economische concurrentiekracht van stedelijke agglomeraties belangrijk dat internationale bestemmingen goed bereikbaar zijn. Zo zouden Nederlandse grensregio’s als Zuidoost-Limburg, Zeeland en Groningen flink van een beter internationaal treinverkeer profiteren. Gebieden die nu in het economische ‘achterland’ van Nederland liggen, krijgen met betere grensverbindingen tussen bijvoorbeeld Duitsland en België een nodige economische impuls.

Snelle en relatief simpele ingrepen

Om reizigers tot grensoverschrijdend vervoer per trein te verleiden, moet volgens de raad worden ingezet op comfortabele, snelle en directe verbindingen tussen Europese steden, tegen een eerlijke en concurrerende prijs. Jeroen Kok, raadslid bij de Rli en commissievoorzitter bij het advies: ‘We hebben al een goed ontwikkeld Europees spoornetwerk, met goede grensoverschrijdende spoorverbindingen. Waar nog winst te behalen valt, is de reizigerservaring. Zo is het moeilijk om snel het juiste ticket te kopen, schort het nog veel in de informatievoorziening voor reizigers en is er veel onduidelijkheid over passagiersrechten.’ Als je op die punten verbetering doorvoert, wat goedkoop en snel kan, wordt internationaal treinreizen al flink gestimuleerd, zo redeneert de raad.

Ook op het gebied van spoorverbruik valt winst te behalen. In 2019 waarschuwde spoorbeheerder ProRail voor volle sporen, maar volgens de raad is er op bestaande infrastructuur wel degelijk ruimte voor meer treinen, mits deze slimmer worden ingezet. ProRail deelt die visie inmiddels ook, aldus Kok. ‘We kunnen de bestaande infrastructuur creatiever gebruiken. Zorg ervoor dat de treinpaden van verschillende landen goed op elkaar aansluiten, dan voorkom je al veel vertragingen,’ zegt hij. Aanvullend pleit de raad voor de inzet van slimme informatietechnologie, zoals het veiligheidssystem ERMTS. Daarmee kunnen treinen veilig dichter op elkaar rijden, wat de capaciteit van het spoor vergroot.

Partijen samenbrengen

Bij het realiseren van de betere internationale treinverbindingen rijst wel de vraag wie welke verantwoordelijkheid op zich moet nemen. Bij het spoor is immers een veelheid van partijen betrokken: landelijke, regionale en lokale overheden hebben een zegje, maar ook spoorbeheerders als ProRail en vervoersaanbieders als de NS zijn van belang. Kok: ‘Het grootste probleem bij de internationale spoorverbindingen is dat het niet voldoende wordt meegenomen in de afwegingen van overheden. Voor sprinters en intercitytreinen is veel aandacht, voor internationale verbindingen een stuk minder.’

Dat gat bij beleidsmakers kan door de Europese Unie gevuld worden. De raad vindt voor de belangrijkste internationale verbindingen een gecoördineerde aanpak in internationale corridors nodig, waarbinnen eenduidige regels en afspraken gelden. Op de lange termijn moet volgens de raad toegewerkt worden naar een Europese autoriteit voor grensoverschrijdend spoorverkeer. Hiervoor heeft de raad samen met andere Europese adviesraden aandacht gevraagd bij de Europese Commissie.

Gebrekkige internationale verbinding grote regionale impact

Een voorbeeld van zo’n corridor is de verbinding met Duitsland. Op dit moment ontbreekt een snelle spoorverbinding met onze oosterburen. Als bestaand spoor wordt opgewaardeerd tot 160 of 200 km/uur en er aangesloten wordt op het Duitse netwerk van snelle ICE-treinen, kan voor internationale verbindingen vanuit Nederland aanzienlijke reistijdwinst behaald worden. De raad roept het kabinet op om snel een tracékeuze te maken.

Een oostelijke corridorverbinding met Duitsland zou de Nederlandse grensregio’s veel kunnen opleveren. Zie bijvoorbeeld de Parkstadregio in Zuidoost-Limburg. De oproep van de Rli tot een Nederlands-Duitse transportcorridor sluit goed aan met de ambities van deze regio. Eerder berekende de Atlas voor Gemeenten dat Heerlen een flinke economische impuls zou krijgen als grensbarrières worden geslecht. Beter en aantrekkelijker grensoverschrijdend treinverkeer biedt toegang tot het Duitse directe achterland, een verstedelijkte regio met ruim 700.000 duizend inwoners en tal van onderwijsinstellingen. Parkstad Limburg pleit dus al ruim 20 jaar voor beter internationaal treinen.

Charles Claessens, wethouder Heerlen met de portefeuille mobiliteit: ‘Technisch gezien is het heel goed mogelijk om een intercityverbinding tussen de Randstad via Heerlen naar Duitsland te realiseren. Die visie deelt de NS ook.’ Volgens de wethouder ligt de betere verbinding dus voor het oprapen, maar ontbreekt het aan politieke slagkracht. ‘Vanuit de Kamer is er veel steun voor de betere verbinding, maar het ministerie van IenW struikelt over een tekort in de exploitatie. Ik geloof echter dat de maatschappelijke winst van de verbinding dat tekort zeker zal dichten. Bovendien is de duurzame verbinding te realiseren met een fractie van het bedrag dat KLM laatst door het kabinet is toegezegd.’

Dit bericht delen via:

Gerelateerde artikelen