Foto: Friso de Zeeuw

Reflectie op stikstofrapport

Sterke natuurimpuls van Remkes heeft zeker zwakke punten

‘Remkes kraakt kabinetsplannen stikstof’. Dat is de rode draad in de krantenkoppen. Het streven van het kabinet om in 2030 de stikstofuitstoot met 26 procent te verminderen is volgens de commissie 'onvoldoende'. De Commissie Remkes wil in een korter tijdsbestek dichter op het niveau van de nagestreefde ‘kritische depositiewaarde’ (KDW) van de Natura-2000 gebieden komen. En de commissie wil dat reductiedoel wettelijk vastleggen.

Remkes voert twee argumenten aan voor deze forse extra inspanning die in de presentatie een beetje door elkaar liepen. In de eerste plaats de waarde van de natuur zelf en de biodiversiteit. Dat argument is volkomen te billijken. Er hangt wel een prijskaartje aan. Die kosten vermeldt Remkes niet. De financiële onderbouwing is zijn sowieso geen sterke kant in de Remkes-adviezen, zo bleek al eerder. De extra inspanning die het kabinet de komende tien jaar al op zich heeft genomen om die 26 procent reductie te realiseren, bedraagt een half miljard euro per jaar. Dat kunnen we dus minimaal verdubbelen tot 1 miljard euro per jaar, en dat gedurende tien jaar. En in 2030 komt de volgende fase in beeld die ertoe moeten leiden dat in 2040 de Natura 2000-gebieden de ‘gunstige staat van instandhouding’ hebben bereikt.

Krokodillentranen

Het tweede argument dat Remkes voor de verdubbeling van de reductiedoelstelling noemt, is juridisch van aard. Het zou moeten van de Raad van State als gevolg van de PAS-uitspraak van vorig jaar. Dat berust echter op een bepaalde interpretatie. Remkes volgt daarmee een van de drie juridische stromingen die we in het domein van het natuurbeschermingsrecht langs zien komen. De commissie volgt de strenge, ‘bevindelijke’ richting en dat is een keuze, waarbij dus enige relativering past. 
De algemene stelling is wel houdbaar: naarmate fanatieker aan natuurherstel wordt gewerkt en de stikstofdepositie afneemt, komt er meer ruimte voor (economische) activiteiten die een kleine stikstofdepositie met zich meebrengen.

Voor de bouw, stedelijke gebiedsontwikkeling en infrastructuur heeft Remkes louter mooie woorden. Ik vind dat hij krokodillentranen huilt als hij stelt deze sector zwaar heeft geleden onder de stikstofcrisis. In het eerste advies heeft het adviescollege de (woning)bouw en infra namelijk volkomen verwaarloosd. Omdat het kabinet en de provincies deze kwestie evenmin krachtdadig hebben aangepakt, stagneert deze sector tot op de dag van vandaag. En ook nu komt de commissie niet verder dan een zuinige drempelwaarde voor - alleen - de aanlegfase van bouwfase. Het voorstel had bijvoorbeeld moeten luiden: een drempelwaarde van 0,5 mol/ha. voor zowel de aanleg- en als de gebruiksfase van woningbouwplannen. Dat zet zoden aan de dijk. 

‘Heel selectief’ uitkopen van bedrijven met hoge depositiewaarden

Ook het pleidooi van ‘schone bouw’, dat wil zeggen nog verdere reductie van de toch al minimale stikstofuitstoot in de bouwfase, slaat de plank mis: het is duur en de natuur schiet er niets mee op. En dit betrekken in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid; dan had de commissie beter kunnen pleiten voor ‘natuur-inclusieve’ plannen. Een aanpak die de bijvoorbeeld gemeente Ede met succes hanteert.

Dwingender

Kijken we naar de landbouw, dan stelt Remkes dat uitkoop van bedrijven alleen zin heeft als het gaat om bedrijven met een relatief grote dispositielast nabij kwetsbare en relatief zwaarbelaste natuur. De commissie adviseert slechts ‘heel selectief’ over te gaan tot het uitkopen van dit soort bedrijven. In de huidige kabinetsplannen zou het initiatief bij de veehouder zelf liggen. Volgens Remkes moet de regering bij kwetsbare natuurgebieden dwingende maatregelen kunnen nemen. Dit is een sterk advies, gericht op een gebiedsgerichte benadering. De provinciebesturen moeten hierop acteren; dat wordt nog spannend.

In tegenstelling tot de natuurbeweging is LTO zeer kritisch over het Remkes-advies. Op drie onderdelen hebben zij mijns inziens een punt. Zijn de kritische depositiewaarden in alle Natura 2000-gebieden wel haalbaar en actueel? Nee, luidt het antwoord. Remkes wil dat niet ter discussie stellen en dat getuigt van starheid en gebrek aan realisme.
Tweede punt. Geeft de commissie voldoende ruimte aan technische innovaties in de agrarische bedrijfsvoering? LTO antwoordt ontkennend. Ik vind het moeilijk te beoordelen, maar twijfel is op zijn plaats.

‘De brede regionale, gebiedsgerichte benadering ontbreekt’

Soms krijgen de Natura 2000-gebieden een overdreven focus; natuur en landschap omvat veel meer in onze kleine land. Wel pleit Remkes voor ‘corridors’, ‘overgangsgebieden’ en ‘nieuwe natuur’. Maar de brede regionale, gebiedsgerichte benadering ontbreekt. Dat gaat het mandaat van de commissie wellicht te buiten. 

Voor de ruggengraat van het natuurareaal kunnen we werken vanuit het bestaande Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de ecologische hoofdstructuur). De aanleg van verbindingszones kunnen die structuur veel robuuster maken. In de buurt van de stedelijke agglomeraties krijgen groene gebieden een extra impuls. Het gaat bijvoorbeeld om het Van Gogh Nationaal Park, omgeven door de Brabantse steden, het veenweide- en poldergebied Amsterdam Wetlands tussen Alkmaar en de hoofdstad, en het Ringpark Utrecht, dat de groene gebieden rond de Domstad met elkaar verbindt. Zo kunnen stedelingen op de fiets naar een aantrekkelijk, gevarieerd cultuurlandschap, met groen en water.

Impuls

Landbouw is in het uitgebreide natuurnetwerk niet uitgesloten, maar moet zich richten naar de doelstellingen die voor ecologie, biodiversiteit, waterkwaliteit en landschap zijn gesteld. Hier zijn ook windmolens en (grote) zonneweides verbannen. In de andere zones, op vruchtbare gronden, zou de hoogproductieve landbouw meer ruimte moeten krijgen.

Resumerend. De Commissie Remkes geeft het natuurbeleid een forse impuls en dat is een goede zaak, ook al hangt daar een fors prijskaartje voor de belastingbetaler aan. De juridische argumentatie maakt het betoog niet echt sterker. Remkes stelt terecht dat uitkoop van bedrijven alleen zin heeft als het gaat om bedrijven met een relatief grote dispositielast nabij kwetsbare en relatief zwaar belaste natuur. Dus niet alleen gebaseerd op vrijwilligheid. 

Dat Remkes star vasthoudt aan het overal halen van de kritische depositiewaarde is aanvechtbaar. Twijfel bestaat of de commissie voldoende inspeelt op het technisch en organistisch innovatievermogen van de agrarische sector. Het natuur-, landschaps- en landbouwbeleid vergt een regionale, gebiedsgerichte aanpak, waar de Natura 2000-gebieden ’maar’ een onderdeel van vormen. Remkes geeft een eerste aanzet, maar meer kon niet worden verwacht.

De commissie heeft van bouw en stedelijke gebiedsontwikkeling geen kaas gegeten. Dat was zo en dat bleef zo. De betrokken partijen moeten hier hun eigen boontjes doppen, met onder meer de introductie van reële drempelwaarden, ingebed in een brede (regionale) aanpak.

Dit bericht delen via:

Gerelateerde artikelen