Kansen voor gemeenten om lasten gelijker te verdelen

Sociale ongelijkheid bij de energietransitie

De eerste stappen op weg naar een CO2-neutrale samenleving in 2050 laten zien, dat daarbij nu al een verschil ontstaat tussen mensen met een smalle beurs en de financieel draagkrachtigen. Dit klemt vooral bij grote inkomensverschillen tussen mensen met koopwoningen. Bart van Geleuken beschrijft hoe gemeenten ervoor kunnen zorgen dat de energietransitie sociale ongelijkheid niet versterkt.  

Door Bart van Geleuken. Van Geleuken is zelfstandig adviseur duurzaamheid en energietransitie en werkt op dit moment voor gemeente Zwijndrecht. Dit is een verkorte versie van het artikel in ROm 4, april 2020. ROm is gratis voor ambtenaren in het domein van de fysieke leefomgeving.

Openingsbeeld: woningcorporatie Domijn verduurzaamt in samenwerking met het verduurzamingsplatform Reimarkt in Haaksbergen, Overdinkel en Enschede hele complexen of wijken met de zogenaamde opschaalbare aanpak. De bewoners van de eerdergenoemde acht complexen kregen een pakket aan duurzaamheidsmaatregelen voorgesteld, zonder dat ze daar een huurverhoging voor aan hun broek kregen. Beeld: Domijn. 

De energietransitie, met hoge ambities als ‘aardgasvrije gebouwde omgeving’ en ‘in 2050 energieneutraal’, is nog maar nauwelijks begonnen. Drie jaar geleden was aardgasvrij nog een begrip waarbij de meeste mensen zich weinig of niets konden voorstellen. Toch heeft de energietransitie nu al betekenis voor een effect op de sociale ongelijkheid. In het leven van alledag zijn op dit moment vooral zichtbaar: zonnepanelen en laadpalen voor elektrische auto’s, hier en daar een buitenunit van een warmtepomp. Isolatiemaatregelen zie je minder goed, maar ook daar wordt werk van gemaakt. Al deze – vaak kostbare – maatregelen zijn echter niet weggelegd voor degenen die bezig zijn om financieel te overleven. Tegelijkertijd stijgt de energiebelasting en dat doet lage inkomens de meeste pijn, constateert het Planbureau voor de Leefomgeving: ‘Een verhoging van de energiebelasting en ODE per eenheid energie werkt denivellerend op de koopkracht van huishoudens.’ (Meten met twee maten, PBL 2018).

Weinig en veel geld

Het CBS houdt bij hoeveel wij in Nederland verdienen. Het gemiddeld inkomen is 29.500 euro. Dit besteedbaar inkomen – ook wel de koopkracht – is gemiddeld 2500 euro per maand. Figuur 1 laat zien dat heel veel huishoudens daar ver onder zitten. Onderzoek van bureau Ecorys laat zien dat 650.000 huishoudens ‘energiearmoede’ kennen. Daarvan is sprake als minstens 10 procent van het besteedbaar inkomen aan energie wordt uitgegeven. Volgens de onderzoekers kan het aantal energiearme huishoudens bovendien sterk toenemen tot 1,5 miljoen in 2030 (De financiële gevolgen van de warmtetransitie, Ecorys, 2019).

Hoewel het soms weinig zichtbaar is, zijn er dus erg veel mensen die het financieel moeilijk hebben. Figuur 2 vat dat nog eens samen. Daar staat tegenover dat er honderdduizenden burgers zijn met een persoonlijk inkomen van meer dan 100.000 euro.

(Tekst loopt verder onder de afbeeldingen)

Figuur 1: Het aantal huishoudens per inkomensklasse, 2018 (bron CBS)

 

Figuur 2: Cijfers Energiearmoede

Wat betekent de energietransitie voor het feit dat veel mensen geen of weinig financiële reserves hebben en een forse groep een hoog inkomen heeft? Ik bekijk dit hierna vooral voor mensen met een koopwoning. Ook daar zitten veel mensen bij met een laag inkomen en relatief hoge vast lasten. Huurders zijn voor verduurzaming van hun woning afhankelijk van de verhuurder. Voor huurders met een laag inkomen is dat vaak een woningcorporatie.  

Hogere inkomens starten met energietransitie

Mensen die nu een elektrische auto, zonnepanelen of warmtepomp aanschaffen, hebben vaak een relatief hoog inkomen. Ze profiteren daarbij van de belastingvoordelen of subsidies die er zijn. Bijvoorbeeld door de lage bijtelling voor elektrische auto’s, de saldering en btw-teruggave voor zonnepanelen en de subsidie van gemiddeld maar liefst 2000 euro voor een warmtepomp. Mensen met een laag inkomen profiteren daardoor nu niet of nauwelijks van de financiële ondersteuning die de overheid biedt om energie te besparen of om energie duurzaam op te wekken.

Goed of fout?

Er zijn positieve en negatieve kanten aan het feit dat vooral de hogere inkomens profiteren van deze financiële voordelen.

Eerst de positieve kant:

- Mensen met een krappe beurs hebben vaak (maar lang niet altijd!) lagere energiekosten dan mensen met meer geld. Want meer inkomen betekent – meestal – grotere woningen en grotere auto’s. Hogere inkomens betalen dus vaak meer aan energie. Dan voelt het niet onrechtvaardig dat als ze die hogere kosten willen verlagen door energiemaatregelen, ze daarbij financiële ondersteuning van de overheid krijgen.

- Bovendien is de energietransitie bedoeld om klimaatverandering te keren door de CO2-uitstoot te verminderen. En dat gebeurt het (kosten)effectiefst door daar te beginnen waar de meeste CO2-uitstoot plaatsvindt. En ook dat zijn vaak mensen met hogere inkomens. De subsidies en fiscale voordelen zijn dus in dat opzicht ook effectief als deze met name bij hen terechtkomen. 

- Ten derde is er behoefte aan koplopers, mensen die nu al laten zien dat het anders kan, dus dat elektrisch rijden prettig is en dat allerlei energiemaatregelen aan je woning ook echt werken. Ook vanuit dat perspectief is financiële ondersteuning door de overheid wenselijk. Goed voorbeeld doet volgen, en de early adopters maken ‘reclame’ voor de energietransitie. Bovendien zorgen zij ervoor dat marktpartijen nieuwe energiemaatregelen (goedkoper) gaan aanbieden en installeren, daar profiteren later anderen van.   

De early adopters maken ‘reclame’ voor de energietransitie

Dan de negatieve kant:

- Mensen met lagere inkomens betalen vaak een groter deel van hun inkomen aan energielasten. De gemiddelde maandelijkse energiekosten zijn in Nederland ongeveer 150 euro. Voor wie 1500 euro netto verdient is dat dus 10 procent van het inkomen. Ter vergelijking: door een energiezuinig huis met zonnepanelen en een hoger inkomen betalen mensen met een twee- of driemaal modaal inkomen vaak maar enkele procenten aan energie. Als die ook nog subsidie krijgen voor energiemaatregelen, dan wordt het verschil met lagere inkomens alleen maar groter.

- Als heel veel mensen nu al voor hun eigen huis een individuele oplossing vinden om geen aardgas meer nodig te hebben of een warmtenet voor de verwarming van hun woning, dan ondergraaft dat een rendabele aanleg van bijvoorbeeld warmtenetten in de toekomst.

- Tenslotte is het zo, dat woningen die all-electric worden (verwarming door alleen gebruik van elektriciteit) profiteren van het feit dat iedereen in ons land meebetaalt aan de aanleg en onderhoud van dat elektriciteitsnet. En als veel mensen met hoger inkomens – want het vergt forse investeringen – nu hun woning volledig met elektriciteit gaan verwarmen, dan moet er enorm geïnvesteerd worden om het elektriciteitsnet te verzwaren. En daar betalen we allemaal aan mee, ook de laagste inkomens. Terwijl die laatste groep er niet van profiteert.

Handelingsperspectief gemeenten

Gemeenten hebben een paar knoppen om aan te draaien willen ze voorkomen dat de kosten voor de energietransitie onevenwichtig en onrechtvaardig worden verdeeld.

1. Koplopers energietransitie steunen, maar niet financieel

De koplopers stimuleren, maar niet financieel. De koplopers in de energietransitie maken dankbaar gebruik van rijkssubsidies en dragen daarmee bij aan CO2-reductie. Dat moet de gemeente toejuichen. Maar omdat het vooral mensen zijn met hogere inkomens, hoeft de gemeente hen financieel niet extra te ondersteunen. Heel praktisch: bied bijvoorbeeld een gratis energiescan aan tot tweemaal modaal inkomen en geef wijken met goedkope woningen veel meer aandacht; huis-aan-huisbezoek door studenten bijvoorbeeld, met een uitnodiging voor een energie-informatiebijeenkomst. Dit wringt mogelijk met ambities om zoveel mogelijk resultaat te boeken. Het succes van acties gericht op energiebesparing kun je vanuit sociale rechtvaardigheid beter richten op bijvoorbeeld het aantal mensen met een benedenmodaalinkomen dat maatregelen aan de woning getroffen heeft.

2. Laat duizend bloemen bloeien

Gemeenten hebben vaak het idee dat ze transities moeten of kunnen beheersen, maar dat is niet zo, of in slechts heel beperkte mate. De energietransitie is technisch, financieel en sociaal veel te ongewis om te kunnen beheersen. Misschien is bijvoorbeeld waterstofgas over twintig jaar echt goedkoop en zijn we blij dat er nog aardgasleidingen liggen in bepaalde wijken. Of hebben zonnepanelen dan een dubbel zo hoog rendement als nu en kosten accu’s een kwart van de huidige prijs. Daar heeft een gemeente geen of bijna geen invloed op, net zomin als op de belasting op aardgas en elektriciteit, regelgeving van Europa of de rijksoverheid. Accepteer als gemeente dat we in een fase zitten dat alle beetjes helpen en dat er ruimte moet zijn om te experimenteren. Help daarom lokale initiatieven, geef ze bijvoorbeeld ook één aanspreekpunt voor de hele gemeentelijke organisatie. Accepteer ook dat de energietransitie een nieuw belang is, dat soms ten koste gaat van andere belangen zoals welstand, landschap, geluid, of overal kunnen parkeren.

De energietransitie is technisch, financieel en sociaal veel te ongewis om te kunnen beheersen

3. Gericht beleid, communicatie en voorbeeldgedrag als speerpunten

De meeste gemeenten willen of kunnen zelf in beperkte mate de energietransitie bij bewoners met een financieel zwakke positie ondersteunen. Breda is daarvan een mooi voorbeeld met een eigen variant op het woningabonnement: een duurzaamheidsbelasting die je met de maandelijkse energiebesparing afbetaalt. Tegelijkertijd zijn de juridische mogelijkheden richting bewoners heel beperkt. De gemeente kan bewoners, zonder noodgreep als gebruik van de Crisis- en Herstelwet zoals Utrecht doet, niet dwingen om van het aardgas af te gaan of om energie te besparen. Daarom doen gemeenten er goed aan nog veel meer te investeren in goede communicatie en participatie. Door voorlichting over energiebesparing en comfort, en over zonnepanelen bijvoorbeeld. En door bewoners, bedrijven en organisaties ‘die goed bezig zijn’ in het zonnetje te zetten. Mensen die actief willen worden bij elkaar te brengen – van vve’s tot schoolbesturen en van ondernemersverenigingen tot kerkgenootschappen – is ook zinvol.
Denk bij die voorlichting ook heel praktisch aan zorgen van bewoners; kan mijn wok of tajine op inductie? Moet mijn behang van de muur als er een aansluiting op het warmtenet komt?

Kansen liggen er verder door communicatie en voorlichting aan te laten sluiten op de persoonlijke situatie en op ‘natuurlijke’ momenten. Geef een woningkoper bijvoorbeeld gratis advies over vloerverwarming – de beste optie voor lage temperatuurverwarming – omdat nieuwe bewoners vaak toch al een nieuwe vloer leggen in de woonkamer. Of een waardebon voor elektrisch koken bij aanschaf van een nieuwe keuken of voor warmteterugwinning van douchewater (een ‘douche-WTW’). Woningkopers vernieuwen immers vaak de keuken of badkamer.

4. Maak duidelijk beleid en wacht er vooral niet op  

Elke gemeente in Nederland is druk met het opstellen van een transitievisie warmte en een regionale energiestrategie (RES). Dat is heel belangrijk om een beeld te krijgen van wat een logische en kosteneffectieve aanpak is. De uitvoering van dat beleid zal vast een stuk grilliger en minder planmatig verlopen dan we nu denken. Dat is een extra reden om nu werk te moeten maken van bovenstaande punten.  

Ook interessant: Grootste energieopgave ligt bij de particuliere vooroorlogse woningen
Dit bericht delen via:

Gerelateerde artikelen