Foto: 'Groene straat' Steenbrugge in Deventer

7 vragen aan stedenbouwkundige Luc Bos  

Investeringen leefomgeving betalen zich terug in minder kosten

Meer groen, een park, een ontmoetingsruimte of een zitelement; het zijn ingrepen die de fysieke leefomgeving aantrekkelijker maken. Burgerinitiatieven en inspraak brengen inwoners in beweging en verhogen de betrokkenheid. Hoe vertaalt zich dat naar de gezondheid en het welzijn van bewoners van een wijk? Of de sociale cohesie? Het rapport 'Stedenbouw, gezondheid en welzijn' formuleert hierop een antwoord. Aan de hand van zeven vragen vertelt een van de auteurs, stedenbouwkundige Luc Bos, over enkele bevindingen.

Wat hebben jullie precies onderzocht?

‘Met deze dubbelrapportage willen we bijdragen aan een betere verbinding tussen de ‘harde sector’, de fysieke ontwikkeling van woongebieden, en de ‘zachte’ - kennis uit de sociale wetenschap over hoe de bebouwde omgeving kan bijdragen aan het welzijn van haar bewoners. Het laat zien waarom het goed is dat stedenbouwkundigen ingrepen toepassen met het doel het welzijn van burgers te vergroten. Het gaat gemeenten immers niet alleen om het financieel haalbaar maken van woongebieden voor inwoners, maar ook om hun welbevinden. Een laag welbevinden leidt op de langere termijn tot hogere kosten. Daarop kun je van tevoren op anticiperen.’ 

Wat zijn de belangrijkste (of juist meest verrassende) bevindingen?

‘De kostenbesparingen van stedenbouwkundige ingrepen in de fysieke omgeving op het welzijn zijn zeer waarschijnlijk substantieel. Ons rapport geeft aanwijzingen dat in een wijk met 3600 inwoners een besparing van ongeveer anderhalf miljoen euro per jaar gerealiseerd kan worden, door het toepassen van tien procent meer groen in de wijk en ingrepen die de sociale cohesie met 0,1 scorepunt (op een vijfpuntsschaal, red.) laten stijgen. Die besparing zit bijvoorbeeld in een daling van de gezondheidskosten en minder werkverzuim.' 

‘Stedenbouwkundige ingrepen hebben zeer waarschijnlijk een substantiele invloed op het welzijn'

'Bij sociale cohesie kun je denken aan minder kosten in het sociaal domein, met name in de jeugdzorg. Studies geven aan dat de grote kostenstijging van jeugdzorg zit in ambulante - en betrekkelijk lichte - hulp die voor een deel door niet-professionele ondersteuning opgelost kan worden. Een grotere sociale cohesie kan er ook toe leiden dat opvoedingsvraagstukken niet uitgroeien tot problemen, omdat buren, vrienden of familie bijspringen. It takes a village to raise a child. Natuurlijk is er ook een sterke relatie met eenzaamheid. Dat is beschreven door Visser en De Wilde Ligny (medeauteurs van het rapport, red.) als een medeveroorzaker van allerlei somatische ziekten. Dit is geeneens in onze berekeningen meegenomen.’

Welke ingrepen hebben een significant effect op de gezondheid, het welzijn of de sociale cohesie, ofwel de meest aantrekkelijke kosten-baten-verhouding?
‘Vijf ingrepen scoorden hoger dan 2,5 op de schaal van 0-4. 67 procent van de ingrepen scoort láger dan dit. Voorbeelden van hoog scorende interventies zijn een groene straat of een straat als park, een muziektempel, ruimte voor bewonersinitiatieven (zoals volkstuinen), sociale eenheden van 100 tot 300 woningen en functiemenging.'

'Relatief veel invloed hebben bijvoorbeeld een groene straat, bewonersinitiatieven en functiemenging'

'Dit zijn dus toepassingen met een relatief grote invloed op gezondheid, welzijn en sociale cohesie. Dit toont dat er een behoorlijke urgentie bestaat om te bouwen voor welzijn. Afgezien van de verwachte kostenbesparing zijn er met grote waarschijnlijkheid belangrijke immateriële winsten te behalen voor de bevolking van de wijk.’

We weten al langer dat bijvoorbeeld een groene ruimte goed is voor de gezondheid. Toch zijn er nog genoeg grijze, bestrate gebieden. Wat belemmert daadwerkelijke uitvoering en implementatie?

‘Een knelpunt is dat de ontwikkeling van buurten steeds meer aan marktpartijen wordt overgelaten. De overheid neemt hierin een faciliterende rol aan. Het thema krijgt hierdoor onvoldoende aandacht en er wordt vooral met financiële kosten en baten rekening gehouden. De immateriële kosten en baten worden minder belicht. Het valt aan te bevelen om publiek-private samenwerking te bevorderen en meer aandacht te hebben voor de publieke belangen op de langere termijn. Hierbij moet op een evenwichtige manier aandacht worden geschonken aan alle stedenbouwkundige ingrepen en de effecten daarvan. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) kan goede argumenten bieden om de dialoog over de ontwikkeling van stedelijke gebieden aan te gaan.’

Van de baten profiteert niet alleen de gemeente. Moeten meer stakeholders in het proces betrokken worden?

‘Vooral op gezondheidsgebied hebben ook ziektekostenverzekeringen en ondernemers met personeel dat in het betrokken gebied woont baat bij bepaalde aanpassingen. De belangrijkste batenhouders bij beide onderwerpen zijn de inwoners van de gemeente. Aangezien het bevorderen van welzijn een doel is van de gemeente, is per saldo de gemeente secundair batenhouder. Dus ja, met name ziektekostenverzekeraars en toekomstige bewoners dienen in het proces te worden betrokken.’

In het rapport concluderen jullie onder meer dat er aanwijzingen zijn dat beïnvloeders op stedenbouw sociale cohesie onjuist of niet toepassen in het programma van eisen. Wat gaat er fout?

‘Er zijn verschillende indicatoren voor de mate van sociale cohesie in een wijk en het daaruit volgend sociaal kapitaal. Een paar voorbeelden zijn zelfredzaamheid, tevredenheid, leefbaarheid, morbiditeit en criminaliteit. De invalshoek van private partijen is vooral een financiële. Sommige in het rapport genoemde indicatoren worden bovendien achteraf beoordeeld. Door alleen naar zogenoemde distale indicatoren te kijken – graadmeters die pas na meerdere stappen zichtbaar worden – is het beeld onvolledig. Een voorbeeld hiervan is het te grof analyseren van de verhuisbewegingen bij koopwoningen. Stel, je zet de sociale cohesie van een buurt af tegen de verhuisbeweging in de koopsector. Als de sociale cohesie laag is en de verhuisbeweging hoog, dan zou je kunnen concluderen dat de eerste een reden is voor mensen om te verhuizen. Die relatie is echter niet één-op-één te leggen. Ook andere factoren kunnen invloed hebben op het aantal verhuizingen: gezinsuitbreiding, of een baan in een andere stad. Houd je geen rekening met deze factoren, dan is het nattevingerwerk.’

Er zijn meer tools en onderzoeken die ingrepen kwantificeren, zoals de TEEB-Stadtool. Waarin onderscheidt dit onderzoek zich?

‘De analyse brengt een groot aantal stedenbouwkundige ingrepen tezamen. TEEB bijvoorbeeld gaat alleen over groen. Ons rapport is breder en aanvullend.’

Over het onderzoek
In het rapport onderzochten de auteurs ingrepen in Deventer en het effect ervan op bewoners. Het gaat bijvoorbeeld om groene straten, achterstraten (straten die zowel dienen als ontsluitingsstraat als parkeerhof), enchroachementzone (een overgangsgebied van woningen naar openbare ruimte), muziektempels en stabilizers (gebouwen met een verhaal/geschiedenis). In het tweede deel wordt de invloed van de leefomgeving op de sociale cohesie onderzocht, met wijken Osseveld-Oost (Apeldoorn), De Hoven (Zwolle), Bovenkamp II (Heerde) en Steenbrugge (Deventer) als casus. De dubbelrapportage Stedenbouw, gezondheid en Welzijn. Wat een samenwerking van stedenbouw en sociale wetenschap kan bijdragen is geschreven door Luc Bos, Bob Horjus, Steijn Visser en Sam de Wilde de Ligny en is te downloaden op de site van Luc Bos.
Dit bericht delen via:

Gerelateerde artikelen