Foto: OregonDOT

‘Nationale aanpak energieneutrale bedrijventerreinen nodig’

Het energiebesparingspotentieel op bedrijventerreinen is enorm. ‘Bedrijventerreinaanpak loont meer dan wijkaanpak’, kopte Stadszaken eind september al. De urgentie is groot, want uit een verkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) blijkt dat het klimaatakkoord tot nu toe te weinig oplevert. Tijd voor een nationale aanpak om bedrijventerreinen te verduurzamen, zeggen Cees-Jan Pen (Fontys Hogescholen) en Theo Föllings (SKBN). Maar hoe zou een dergelijke aanpak eruit moeten zien?

Dit artikel kom uit vakblad BT. Klik hier voor meer informatie over het platform BT en om abonnee te worden.

Begin november publiceerde het PBL zijn Klimaat- en Energieverkenning 2019. De boodschap was weinig optimistisch. Meerdere doelen voor 2020 worden naar verwachting niet gehaald, zoals het door de rechter opgelegde Urgendadoel (25 procent afname van broeikasgasemissies) en twee doelen van het Energieakkoord: het aandeel van 14 procent hernieuwbare energie en 100 petajoule energiebesparing.

Een dag voor de publicatie van het PBL stond de directeur Bouwen en Energie bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Ferdi Licher, op het podium tijdens het BT Event op Industriepark Kleefse Waard in Arnhem. Licher was naar Arnhem gekomen om de deelnemers een uitgestoken hand te bieden. Tegelijkertijd trok hij het boetekleed aan: ‘Het is een gemiste kans dat bedrijventerreinen niet worden genoemd in het Klimaatakkoord.’

Klimaatakkoord

En inderdaad: een ctrl-F-zoekopdracht in het Klimaatakkoord levert geen resultaten op wat betreft de aanpak van bedrijventerreinen. En dat is vreemd. Uit een rondgang door Stadszaken en BT bleek immers eerder dat het besparingspotentieel op bedrijventerreinen enorm is. Het totale energieverbruik van bedrijventerreinen en werklocaties in Nederland bedraagt in totaal bijna 700 petajoule (PJ). Dat is veel meer dan het energieverbruik van alle Nederlandse huishoudens bij elkaar. Ook zonder de zware industrie blijft een groot potentieel voor energiebesparing over bij een meer kansrijke doelgroep. TNO heeft becijferd dat verduurzaming van 250 bedrijventerreinen een totale energiebesparing oplevert van 2,2 Mton bespaarde CO2; dat is al een heel eind in de richting van het sectordoel van 3,4 Mton voor de gebouwde omgeving uit het Klimaatakkoord.

(Tekst loopt door onder de afbeelding)

Een meer landelijk georganiseerde aanpak voor de verduurzaming van bedrijventerreinen kan veel opleveren, stelt Pen. ‘Lokaal en regionaal wordt te weinig doorgepakt. Er zijn veel ambities en initiatieven, maar de samenhang ontbreekt. Op rijksniveau is er al infrastructuur en wordt nagedacht over een groot investeringsfonds. Het is hoog tijd dat de Rijksoverheid bedrijventerreinen de aandacht geeft die zij verdienen. Ze moet ook wel om te kunnen leveren wat is afgesproken in het Klimaatakkoord.’

De jury van de BT Award die onder voorzitterschap van Pen werd uitgereikt tijdens het BT Event op 31 oktober in Arnhem, deed in een juryrapport een aantal aanbevelingen. Zo wil zij overheden, ondernemers en investeerders oproepen gezamenlijk te komen tot een investeringsagenda om op bestaande bedrijventerreinen te zorgen voor een vruchtbare bodem en professioneel parkmanagement. ‘Dit heeft te weinig prioriteit en er zijn nauwelijks fondsen voorhanden. De overheid lijkt zich cru gezegd alleen met bedrijventerreinen bezig te houden als hier mogelijk ruimte is om woningen te bouwen. De grote energiepotentie voor de verduurzaming van bedrijventerreinen blijft zo liggen.’

Wijkaanpak

Hoe zou een nationale aanpak eruit moeten zien? Pen wijst op de zogeheten wijkaanpak. Ambitieuze bestuurders joegen burgers in sommige gevallen de schrik op het lijf met de mededeling dat hun wijk van het gas af moest. ‘Je ziet daar dat draagvlak heel belangrijk is. Dat geldt ook voor bedrijventerreinen. Daar kunnen we dus lessen uit trekken. Anderzijds geldt op bedrijventerreinen veel meer dan bij huishoudens dat je mag verwachten dat ondernemers mee-investeren in onderhoud, beheer, handhaving, verduurzaming en parkmanagementstructuur. De overheid kan dan als aanjager fungeren. Lokaal en regionaal is de aandacht voor dit onderwerp gering. Net als het Rijk lijken ook die overheden het thema bedrijventerreinen vergeten. Er is behoefte aan een vruchtbare bodem. Die is er nu nog niet.’

Ook volgens voorzitter Theo Föllings van de Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN) is die vruchtbare bodem cruciaal. ‘De eerste aanzet is er al want provincies staan te trappelen om aan de slag te gaan met de energietransitie’, zegt hij. ‘Sommige van hen zijn proactief, anderen zijn meer reactief. En veel van hen breken zich het hoofd over hoe ze bedrijven bij hun aanpak moeten betrekken.’ Föllings wijst op de opgaven die voortkomen uit het Klimaatakkoord, waar de landelijke, lokale én regionale overheden op dit moment voor staan. Samen met andere maatschappelijke partners werken lokale en regionale overheden aan de Regionale Energie Strategie (RES). De provincies hebben hierin een coördinerende rol. ‘Als het Rijk verduurzaming van bedrijventerreinen agendeert en ook de daad bij het woord voegt door procesgeld vrij te maken, dan zul je zien dat provincies ook bereid zijn om over de brug te komen. Ook de provincies die op dit moment misschien nog niet voldoende aandacht hebben voor bedrijventerreinen en werklocaties. Zij hebben immers wel zicht op de fondsen die ze beschikbaar kunnen stellen als voorinvestering om het maken van de businesscase voor het bedrijfsleven te versnellen. Dat gaat om eigen fondsen, middelen via de provinciebank en EU-fondsen die bedoeld zijn voor investeringen in onder meer de energietransitie. De Rijksoverheid is tot nu toe huiverig om die aanzwengelende functie op zich te nemen, maar juist daarom zou zij de samenwerking met de provincies moeten zoeken.’

Regionale Energie Strategie (RES)
In de Regionale Energie Strategie (RES) worden veel nationale afspraken uit het Klimaatakkoord in de praktijk gebracht. Dit gebeurt in een landsdekkend programma van dertig regio’s. In de RES werken overheden met maatschappelijke partners, netbeheerders (voor gas, elektriciteit en warmte), het bedrijfsleven en waar mogelijk bewoners regionaal gedragen keuzes uit. Dit doen zij voor de opwekking van duurzame elektriciteit (35 TWh), de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (van fossiele naar duurzame bronnen) en de daarvoor benodigde opslag- en energie-infrastructuur. Deze keuzes worden vertaald naar gebieden, projecten en naar de implementatie en uitvoering van die projecten. De focus in de RES ligt op de opgaven van de uitvoeringsoverleggen Gebouwde omgeving en Elektriciteit. Wanneer een regio dit wenst, kunnen ook opgaven van andere uitvoeringsoverleggen worden meegenomen in de RES, zoals maatregelen voor duurzame mobiliteit, industrie of landbouw en landgebruik.
De opgave waar de regio voor staat is complex en de ruimtelijke impact van de klimaat- en energietransitie zal groot zijn. Juist in de vertaling van de klimaatambities naar locaties en projecten worden ook de maatschappelijke en ruimtelijke consequenties en dilemma’s concreet. Het opstellen van een energiestrategie neemt deze dilemma’s niet weg. De RES is nadrukkelijk bedoeld als startpunt van een uitvoeringsproces waarin samenwerkende partijen tot 2030 tot verdere concretisering en realisatie van projecten komen. De RES heeft daarmee drie functies:
- Allereerst is de RES een product waarin de regio beschrijft welke energiedoelstellingen er moeten worden gehaald en op welke termijn.
- Ten tweede is de RES een belangrijk instrument om ruimtelijke inpassing met maatschappelijke betrokkenheid te organiseren.
- Ten derde is de RES een manier om langjarige samenwerking tussen alle regionale partijen te organiseren.

De verduurzaming van bedrijventerreinen vraagt om inspanning op twee sporen: het aanpakken van het vastgoed, al dan niet in collectief verband, en investeren in collectieve energievoorzieningen, of dat nu windmolens zijn, een gezamenlijk warmtenet of de opwek van collectieve zonne-energie. De organisatiegraad die daarvoor nodig is, blijkt in de praktijk vaak de achilleshiel van veel bedrijventerreinen. Ook de risicodragende upfront-investeringen die nodig zijn, schrikken veel ondernemers af. Er is dus aanjaag- en procesgeld nodig. Maar hoeveel en in welke vorm? Volgens Föllings is het benodigde bedrag aan aanjaaggeld modelmatig eenvoudig uit te rekenen. Eerst moet je onderzoeken wat het besparingspotentieel is op een bedrijventerrein en wat het bijbehorende pakket aan maatregelen is. Dat kan via de Energie Potentieelscan (EPS). Dan moet via een aantal bijeenkomsten draagvlak gezocht worden onder de ondernemers op een terrein. Daarna is een energiescan nodig van ieder bedrijf op het terrein. Deze kosten enkele honderden euro’s per bedrijf. Vervolgens kan de businesscase voor de te nemen maatregelen worden uitgewerkt, waarna ondernemers hun investeringsbeslissing kunnen nemen. Alles bij elkaar kost dit 750 tot 1.500 euro per bedrijf, stelt Föllings. Vermenigvuldigd met gemiddeld 100 bedrijven per bedrijventerrein, op 4000 terreinen in Nederland, kom je uit op een totaal van rond 400 miljoen euro.

De Energie Potentieelscan (EPS)
De Energie Potentieelscan (EPS) is een product van stichting BE+ en is bedoeld om vooraf zo specifiek mogelijk een inschatting te maken van relevante energiemaatregelen, welke investeringen nodig zijn en wat ze opleveren. Het gaat hierbij om de gebouwgebonden energiemaatregelen zonnepanelen, led, warmtepompen, isolatie en warmteterugwinning op de ventilatie. De scan levert een overzicht op per pand, maar ook gesommeerde informatie voor het gehele terrein. Naast de hoeveelheid bespaarde en duurzaam opgewekte energie wordt informatie gegeven over CO2-besparing, geschatte investeringen en opbrengsten per jaar. De EPS is inmiddels toegepast op 45 bedrijventerreinen, waar de resultaten worden gebruikt door de ondernemersvereniging bij het verkrijgen van voldoende deelname aan de collectieve verduurzaming van de bedrijfslocaties. De EPS zou in potentie ook kunnen voorzien in de behoefte aan een goede monitoring van de resultaten van BE+ per bedrijventerrein en voor BE+ als geheel.
BE+ is in 2017 opgericht door WM3 Energy, TNO, Oost NL en Kortman DGO, nadat het idee was ontstaan binnen de huidige partner SKBN. Daarna is het een onafhankelijke stichting geworden, met Oost NL en TNO in het bestuur. Inmiddels heeft BE+ samenwerkingen opgezet met Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord, Projectbureau Herstructurering Bedrijventerreinen (PHB) en de Zuid-Hollandse ontwikkelingsmaatschappij Innovation Quarter.

(Tekst loopt door onder de afbeelding)

Is dat niet een onrealistisch groot bedrag? ‘Zo simpel ligt het niet’, zegt Föllings. ‘Vaak wordt aanjaaggeld voor het proces gezien als een subsidie, maar je moet het zien als een voorinvestering. Ik zie een aanpak voor me waarin ondernemers de kosten van de individuele energiescan terugbetalen wanneer ze besluiten om te gaan investeren.’ Net als Pen constateert Föllings dat die investeringsbereidheid bij bedrijven voldoende aanwezig is. ‘Als je een gezonde businesscase kunt laten zien, dan zijn zij bereid om mee te investeren. Datzelfde geldt voor banken en bijvoorbeeld energiebedrijven. Het is een drempel die met relatief weinig middelen weggenomen kan worden. Er ontstaat dan een revolverend fonds van waaruit risicogeld beschikbaar wordt gesteld. Een groot deel van elke uitgegeven euro komt weer terug, waarna je deze nog een keer kunt gebruiken om andere bedrijventerreinen te verduurzamen. Op dit moment lopen er vanuit BE+ 35 pilots. Met de komst van een dergelijk revolverend fonds zouden we dat kunnen opschalen naar bijvoorbeeld 400 bedrijventerreinen op jaarbasis. In dat geval kunnen we in 10 jaar tijd alle bedrijventerreinen in Nederland verduurzamen.’

Economisch perspectief

Behalve het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zouden volgens Föllings ook de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Infrastructuur en Waterstaat de urgentie van een nationale bedrijventerreinenaanpak moeten onderkennen. ‘In de vervolgstappen van het Klimaatakkoord zou een dergelijke aanpak een plek moeten krijgen. Niet alleen vanwege de klimaatagenda, maar ook vanuit economisch perspectief. Het verduurzamen van 400.000 bedrijven op 4000 bedrijventerreinen betekent een enorme impuls voor het verdienvermogen van ondernemers die de energietransitie uiteindelijk moeten gaan maken: de bedrijven die zonnepanelen installeren, wkk-installaties aanleggen en die het grond- en graafwerk doen. Dat is een aspect dat nog niet eens helder is uitgerekend.’

‘Mijn indruk is dat de verduurzaming van bedrijventerreinen ook aanjager kan zijn van de energietransitie en de wijkgerichte aanpak’, laat Ferdi Licher, directeur Bouwen en Energie bij het Ministerie van BZK, weten in een reactie op dit artikel. ‘Op het BT Event in Arnhem heb ik de uitnodiging gedaan om hierover door te praten. Ik ga graag op korte termijn met de heer Pen en de heer Föllings in gesprek.’

Lees ook: Advies: 'Scherpere voorwaarden nodig voor Brabantse werklocaties'
Dit bericht delen via:

Gerelateerde artikelen